1

Zie de vonnissen van 23 april 2024 en van 16 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4362, van de rechtbank Amsterdam in de zaak met nummer 10946485 CV EXPL 24-1895.

2

Kennelijk bevatten de door Lieven de Key gesloten huurovereenkomsten tot eind 2023 een dergelijk beding (zie SO Lieven de Key nrs. 2 en 9). Zie voorts SO IVBN nr. 3.

3

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, PbEG 1993, L 95/29-34.

4

Vgl. HvJEU EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, NJ 2013/487 m.nt. M.R. Mok (Asbeek Brusse), punt 34.

5

Vgl. W.L. Valk & J.J. Valk, T&C BW, commentaar op art. 6:231 BW, aant. 2.b; E.H. Hondius, GS Verbintenissenrecht, art. 6:231 BW, aant. 2.7.

6

SO Lieven de Key nrs. 13-14.

7

Zie onder meer HvJEU 15 juni 2023, C-520/21, ECLI:EU:C:2023:478, NJ 2024/254 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Bank M), punten 57, 61 en 65; HvJEU 21 december 2016, ECLI:EU:C:2016:980, NJ 2017/213 (Gutiérrez Naranjo/Cajasur Banco e.a.), punten 61 en 66.

8

Vgl. HvJEU 8 december 2022, C-265/21, ECLI:EU:C:2022:971, TvC 2023, p 39 m.nt. C.M.D.S Pavillon (Gupfinger), punt 40. Zie ook C.L.J.M. de Waal, GS Huurrecht, Thematisch commentaar 4 Huur en consumentenbescherming, aant. 4.15.1.

9

HvJEU 3 maart 2020, EU:C:2020:138, NJ 2020/268 (Gómez del Moral Guasch/Bankia), punt 58; HvJEU 25 november 2020, ECLI:EU:C:2020:954, NJ 2021/384 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Banca B), punt 29; HvJEU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68, NJ 2021/326 m.nt. M.B.M. Loos (Dexia Nederland), punt 62.

10

Zie bijvoorbeeld Rb. Zeeland-West-Brabant, 12 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4012, rov. 4.13

11

Vgl. bijvoorbeeld HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1682, NJ 2009/23, rov. 3.2; HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7930, NJ 2005, 347 m.nt. P. Vlas, JBPr 2005/39 m.nt. A. Knigge en L. Dufour, rov. 2.6; HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:459, rov. 5.1.2.

12

Zie bijvoorbeeld HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1614, NJ 2013/321, JOR 2013/228 m.nt. A. Steneker, rov. 3.5; HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:345, NJ 2018/648, rov. 3.4.1.

13

Vgl. ook de lezing die aan het beding wordt gegeven in de SO IVBN nr. 54.

14

SO Lieven de Key nr. 14.

15

Het beoordelingskader is ontleend aan mijn conclusies in de zaken 24/00169 (ECLI:NL:PHR:2024:771) en 24/00170 (ECLI:NL:PHR:2024:770), nrs. 7.2.1-7.3.2.

16

Zie onder meer HvJEU 3 maart 2020, EU:C:2020:138, NJ 2020/268 (Gómez del Moral Guasch/Bankia); HvJEU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:469 (BNP Paribas/VE).

17

HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. J. Hijma, JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten, AA 2020/0179 m.nt. D. Busch (Euriborhypotheken) onder verwijzing naar HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800, NJ 2020/68 m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2018/176 m.nt. E.J. Wervelman, AA 2020/0060 m.nt. W.H. van Boom (AOV-polis). Voetnoten zijn in het citaat niet opgenomen.

18

HvJEU EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68, NJ 2021/326 m.nt. M.B.M. Loos, JOR 2021/62 m.nt. C.W.M. Lieverse (Dexia Nederland), punten 53-55 en 60; HvJEU 15 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:478, NJ 2024/ 254 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Bank M), punt. 53.

19

HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Kinderopvang).

20

Vgl. HvJEU 7 april 2022, C-385/20, ECLI:EU:C:2022:278, NJ 2022/271 m.nt. M.B.M. Loos (EL en TP/Caixabank), punt 46.

21

Vgl. HvJEU 16 juli 2020, C‐224/19 en C‐259/19, ECLI:EU:C:2020:578 (Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria), punt 98; HvJEU 7 april 2022, C-385/20, ECLI:EU:C:2022:278, NJ 2022/271 m.nt. M.B.M. Loos (EL en TP/Caixabank), punt 47 e.v.; HvJEU 22 september 2022, C-215/21, ECLI:EU:C:2022:723 (Servicios Prescriptor y medios de pagos EFC), punt 37; HvJEU EU 21 maart 2024, ECLI:EU:C:2024:263 (Profi Credit Bulgaria), punt 83; HvJEU 13 juli 2023, C-35/22, ECLI:EU:C:2023:569 (CAJASUR Banco/JO en IM), punt 34

22

Vgl. HvJEU 7 april 2022, C-385/20, ECLI:EU:C:2022:278, NJ 2022/271 m.nt. M.B.M. Loos (EL en TP/Caixabank), punten 52 en 58.

23

P. de Bruin, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 239 Rv, aant. 1-2; en art. 241 Rv, aant. 1-2.

24

HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366, NJ 2018/164 m.nt. S.D. Lindenbergh, rov. 3.5.3. Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/128.

25

Bij buitengerechtelijke incassokosten is wel sprake van schade in de zin van art. 6:96 BW behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. Zie HR 10 juli 215, ECLI:NL:HR:2015:1868, NJ 2016/126 m.nt. S.D. Lindenbergh, JIN 2015/160 m.nt. P.H. Bossema-de Greef, JBPr 2015/66 m.nt. B.J. Engberts, rov. 3.5.2.

26

Zie voor een overzicht van de ontwikkeling van het denken op dit punt in het Nederlandse recht: C.J.S. Vrendenbarg, Proceskostenveroordeling en toegang tot de rechter in IE-zaken: regelingen over proceskosten getoetst aan het EU-recht, 2018/56-60. Zie voorts E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Compendium Burgerlijk procesrecht 2024/9.4.3; Asser Procesrecht/Giesen I 2024/186.

27

Vaste rechtspraak. Zie onder meer HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:57, NJ 2024/42, JIN 2024/31 m.nt. M.A.J.G. Janssen, JBPr 2024/23 m.nt. P.A. Fruytier, rov. 3.2.1; HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:139, rov. 2.3; HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1934, NJ 2023/29, JIN 2023/32 m.nt. I.W. van Osch, JBPr 2024/1 m.nt. Th.D. van der Sanden, rov. 3.3; HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366, NJ 2018/164, m.nt. S.D. Lindenbergh, rov. 3.5.2; HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, NJ 2018/165, m.nt. S.D. Lindenbergh, JIN 2017/180, m.nt. E.J.H. Zandbergen en J.H.L. Damen, JBPR 2018/3, m.nt. P.M. Vos, rov. 5.3.3-5.3.4; HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233, rov. 5.1.

28

Zie T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1019h Rv, aant. 1 en 8; O.R.M. van Dam, GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 1019aa Rv, aant. 1 en 4.

29

Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 16 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5420, rov. 2.20; Gerechtshof ’s Hertogenbosch 16 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:70, rov. 9.10.3; Rb. Noord-Holland 29 februari 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:2048, rov. 3.14; Rb. Zeeland-West-Brabant 7 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1610, rov. 6.5.3; Rb. Rotterdam 19 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4046, rov. 2.8. Zie voorts de uitspraken van de rechtbanken Noord-Holland, Zeeland-West-Brabant en Rotterdam die worden genoemd in de SO IVBN voetnoten 4 en 5. Vgl. ook C.L.J.M. de Waal, GS Huurrecht, Thematisch commentaar 4 Huur en consumentenbescherming, aant. 4.7.

30

Rb. Noord-Holland 18 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:11119, rov. 5.4. Ook IVBN (SO nrs. 38-41) wijst hierop.

31

Zie onder meer HvJEU 21 december 2016, C-154-15, C-307/15 en C-308/15, ECLI:EU:C:2016:980, NJ 2017/213 m.nt. V.P.G. de Serière, AA 2017/0218 m.nt. A.S. Hartkamp, Ondernemingsrecht 2017/127 m.nt. B.J. Drijber (Gutiérrez Naranjo/Cajasur Banco e.a.), punten 56-61; HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. J. Hijma, JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten, AA 2020/0179 m.nt. D. Busch (Euriborhypotheken), rov. 3.5.

32

HvJ EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, NJ 2013/487 m.nt. M.R. Mok (Asbeek Brusse), punt 60.

33

Lieven de Key vermeldt dat zijn in 2023 ruim € 135.000 aan gerechtelijke kosten heeft gemaakt (SO Lieven de Key nr. 3).

34

Vgl. Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/178, 523 en 748.

35

En dit geldt omgekeerd ook voor de huurder/consument die een vordering op zijn verhuurder meent te hebben.

36

Vgl. HvJEU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68, NJ 2021/326 m.nt. M.B.M. Loos (Dexia Nederland); HvJEU 8 december 2022, C-265/21, ECLI:EU:C:2022:971, TvC 2023, p 39 m.nt. C.M.D.S Pavillon (Gupfinger).

37

Zie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/129, voetnoot 8. Zie over punt 1 onder q van de indicatieve lijst verder M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, 2024/368-375. De indicatieve lijst verwijst in punt 1 onder e naar bedingen die tot doel of gevolg hebben de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen. De proceskosten van art. 237 Rv vindt niet zijn grond in een verplichting tot schadevergoeding.

38

IVBN SO nrs. 56 en 58 stelt dat de omvang van de vergoedingsplicht niet méér kan worden gespecificeerd.

39

Vgl. gerechtshof Amsterdam 16 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5420, rov. 2.19.

40

Zie bijvoorbeeld HvJEU 7 april 2022, C-385/20, ECLI:EU:C:2022:278, NJ 2022/271 m.nt. M.B.M. Loos (EL en TP/Caixabank: na vernietiging van het oneerlijke beding over de terugbetaling van het krediet in vreemde valuta en veroordeling van de bank om het uitstaande saldo te herberekenen, kunnen de betrokken consumenten worden geacht zich in de situatie rechtens en feitelijk te bevinden waarin zij zonder dat oneerlijke beding zouden hebben verkeerd (punt 44). Los daarvan beoordeelt het HvJEU de nationale proceskostenregeling in het licht van de art. 6 en 7 Richtlijn oneerlijke bedingen en het doeltreffendheidsbeginsel. Zie voorts onder meer HvJEU 15 juni 2023, C-520/21, ECLI:EU:C:2023:478, NJ 2024/254 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Bank M), punten 57, 61 en 65; HvJEU 21 december 2016, ECLI:EU:C:2016:980, NJ 2017/213 (Gutiérrez Naranjo/Cajasur Banco e.a.), punten 61 en 66.

41

Nochtans heeft deze lijn, gezien de gevolgen ervan in concrete zaken, ook geleid tot kritiek. Deze houdt onder meer in dat met name het verbod om terug te vallen op de toepassing van aanvullend recht een punitief karakter heeft, kan leiden tot overcompensatie van de (wanpresterende) consument, verder kan gaan dan nodig is om het gebruik van oneerlijke algemene voorwaarden te ontmoedigen en inconsistent is met de gevallen waarin het HvJEU bij uitzondering wel toelaat dat wordt teruggevallen op aanvullend nationaal recht. Ik verwijs naar mijn conclusies in de zaken 24/00169 (ECLI:NL:PHR:2024:771) en 24/00170 (ECLI:NL:PHR:2024:770), nr. 3.18.2. Zie recent bijvoorbeeld B.J. Drijber, in: Het spanningsveld tussen nationaal en Europees privaatrecht (preadvies VBR), 2024, par. 2.2.2-2.2.3 op p. 22-28; J.B.M. Vranken, Wereld van verschil. Een vergelijking van Europees en Nederlands verbintenissenrecht (Mon. Privaatrecht nr. 22), 2025/17, 80, 93 en 149.

42

Anders dan Lieven de Key (SO nr. 19) lijkt aan te nemen.

43

Zie HvJEU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68, NJ 2021/326 m.nt. M.B.M. Loos (Dexia Nederland). Vgl. ook HvJEU 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971, TvC 2023, p 39 m.nt. C.M.D.S Pavillon (Gupfinger); M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, 2023/445-445h.

44

Onder meer HvJEU 14 juni 2012, C-618/10, ECLI:EU:C:2012:349, NJ 2012/512 m.nt. M.R. Mok (Banco Español de Crédito), punt 69; HvJEU 30 april 2014, C-26/13, ECLI:EU:C:2014:282, NJ 2014/355 m.nt. M.R. Mok (Kásler en Káslerné Rábai), punt 79; HvJEU 21 december 2016, gevoegde zaken C-154/15, C-307/15 en C-308/15, ECLI:EU:C:2016:980, punt 56-61; HvJEU 26 maart 2019, gevoegde zaken C-70/17 en C-179/17, EU:C:2019:250, NJ 2020/6 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Abanca Corporación Bancaria en Bankia), punt 54 en HvJEU 3 maart 2020, C-125/18, EU:C:2020:138, NJ 2020/268 (Gómez del Moral Guasch), punt 60; HvJEU 27 januari 2021, gevoegde zaken C‐229/19 en C‐289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia), punten 62-64; HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. J. Hijma, JOR 2020/36 m.nt. H Scholten, AA 2020/0179 m.nt. D. Busch, rov. 3.5; HvJEU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14, NJ 2024/268 m.nt. M.B.M. Loos, RCR 2023/22, Prg. 2023/58 (Uurtarief advocaat), punt 68.

45

Zie hiervoor achtereenvolgens HvJEU 3 maart 2020, C-125/18, EU:C:2020:138, NJ 2020/268 (Gómez del Moral Guasch); HvJEU 26 maart 2019, gevoegde zaken C-70/17 en C-179/17, EU:C:2019:250, NJ 2020/6 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Abanca Corporación Bancaria en Bankia; HvJEU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14, NJ 2024/268 m.nt. M.B.M. Loos, RCR 2023/22, Prg. 2023/58 (Uurtarief advocaat).

46

HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Kinderopvang), rov. 3.10.1.

47

Gerechtshof ’s Hertogenbosch 16 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:70, rov. 9.10.4. Zie ook Gerechtshof Amsterdam 16 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5420, rov. 2.20; Rb. Zeeland-West-Brabant 7 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1610, rov. 6.5.3-6.5.4; Rb. Noord-Holland 29 februari 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:2048, rov. 3.14. Zie voorts de uitspraken van de rechtbanken Noord-Holland en Zeeland-West-Brabant die worden genoemd in SO Lieven de Key voetnoot 25 en SO IVBN voetnoten 78 en 100.

48

Rb. Rotterdam 19 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4046, rov. 2.8; Rb. Rotterdam 31 mei 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:5577, rov. 2.10.

49

Hierop wijst terecht SO Lieven de Key nr. 22.

50

HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0836, NJ 1993/597 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2. Zie Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/125; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/129.

51

Ambtshalve matiging is wel mogelijk als de boete kosten in de zin van art. 242 Rv betreft. Zie M.M. Olthof, T&C Vermogensrecht 2023, art. 6:94 BW, aant. 1; C.J.S. Vrendenbarg, Proceskostenveroordeling en toegang tot de rechter in IE-zaken: regelingen over proceskosten getoetst aan het EU-recht, 2018/75.

52

Matiging tot nihil is wel mogelijk als de boete niet is bedoeld als schadefixatie maar naast de wettelijke schadevergoeding verschuldigd is. Zie MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 326; M.M. Olthof, T&C Vermogensrecht2023, art. 6:94 BW, aant. 2.

53

Vgl. HR 20 december 1934, NJ 1935, p. 708 m.nt. P. Scholten; HR 12 juni 1936, NJ 1936/996; HR 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA615, NJ 2000/583 m.nt. P.A. Stein, rov. 3.5.

54

HR 26 januari 1933, NJ 1933, p. 797 m.nt. P. Scholten; HR 28 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9604, NJ 1987/380 m.nt. W.L. Haardt, rov. 3.1; HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2739, NJ JBPr 2015/2 m.nt. R.L. Bakels, rov. 3.6.2. Zie Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2024/137; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/125; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/249; Snijders, Klaassen, Krans en Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022, nr. 117; Rueb, Gras, Hendrikse & Jongbloed, Compendium burgerlijk procesrecht 2021/9.4. In verzoekschriftprocedures is de rechter op grond van art. 289 Rv bevoegd ambtshalve te oordelen over de proceskosten. Vgl. HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3143, NJ 2018/17, JOR 2018/104 m.nt. B.I. Kraaipoel, rov. 3.4.2; E.L. Schaafsma-Beversluis, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 289 Rv, aant. 2-3

55

Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/126.

56

Bijvoorbeeld HvJEU 30 mei 2013, C‐488/11, EU:C:2013:341 (Asbeek Brusse), punt 44; HvJEU 17 mei 2018, C-147/16, ECLI:EU:C:2018:320 (Karel de Grote Hogeschool), punt 35.

57

Art. 237 lid 1, eerste zin, Rv luidt thans: “De partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld.”

58

Volgens Star Busmann/Rutten, Hoofdstukken van burgerlijke rechtsvordering 1972, no. 402, is art. 56 Rv imperatief gesteld om, anders dan bij compensatie van kosten, een afwijkend rechterlijk oordeel uit te sluiten.

59

Zie bijvoorbeeld W.L. Haardt, De veroordeeling in de kosten van het burgerlijk geding, ’s-Gravenhage: Nijhoff 1945, p. 39-43, die de lijn van de Hoge Raad onderschrijft; Van Rossem/Cleveringa 1972, art. 56 Rv, aant. 6; J. Vriesendorp, Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden in het burgerlijk geding, Zwolle: Tjeenk Willink 1970, p. 60-62.

60

Vgl. HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2739, JBPr 2015/ m.nt. R.L. Bakels, rov. 3.6.2; HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3477, NJ 2016/16, rov. 6.2.1.

61

SO Lieven de Key nrs. 18-19, 24, 31-33; SO IVBN nrs. 67-76.

62

HvJ EU 7 november 2019, gevoegde zaken C-349/17 t/m 351/17, ECLI:EU:C:2019:936, NJ 2020/179 (NMBS/Kanyeba c.s.), punten 72-74. Zie ook K.W.G. Heesterbeek, ‘Oneerlijke bedingen, nietige overeenkomsten en het ongedaan maken van prestaties: het blijft een puzzel’, BB 2023/60, onder 3.2.2; S.A. van Dijk & M.G.J. van ‘t Ende, ‘De recente invloed van het Unierecht op het Nederlandse contractenrecht, NTBR 2022/15, afl. 5, p. 112-113; H.N. Schelhaas & J.H.M. Spanjaard, ‘Boterzacht criterium met messcherp gevolg. Europees hof zet streep door de rol van vervangend aanvullend recht na vernietiging van een oneerlijk beding’, MvV 2021/4, onder 6.

63

Iets kort gezegd, omdat de doelstellingen van de Richtlijn wel uitstralen naar de toepassing van rechtsfiguren als onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking in het geval waarin buitencontractuele aansprakelijkheidsgronden in het kader van ongedaanmaking worden geactiveerd door de algehele nietigheid van een overeenkomst wegens de aanwezigheid van een oneerlijk (kern)beding. In mijn conclusie van 17 januari 2025 in zaak 24/00783, ECLI:NL:PHR:2025:72, onderscheidde ik (in 5.44.1-5.44.2) een dergelijk geval van het in Kanyeba bedoelde geval. Een dergelijk geval speelt niet in deze zaak.

64

C.M.D.S. Pavillon & J.H.M. Spanjaard, ‘Civielrechtelijke sancties op oneerlijke bedingen. De ‘alles of niets’-benadering bevestigd’, NJB 2021/1392, par. 3.2 op p. 1565.

65

HvJ EU 3 oktober 2019, C-260/18, ECLI:EU:C:2019:819, NJ 2020/277, m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Dziubak), punten 59-62.

66

Dat wordt aangesloten bij een door de wetgever nagestreefd contractueel evenwicht, sluit aan bij de ratio van art. 1 lid 2 Richtlijn oneerlijke bedingen, waain is bepaald dat de oneerlijkheidstoets geen betrekking heeft op contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke bepalingen zijn overgenomen.

67

Ik heb geen rechtspraak van het HvJEU kunnen vinden die in een andere richting wijst, omdat daarin aan een oneerlijk forumkeuzebeding of arbitraal beding de gevolgen van de terugvalrechtspraak worden verbonden. Zie HvJEU18 november 2020, C-519/19, ECLI:EU:C:2020:933, NJ 2021/1, JOR 2021/78 m.nt. T.A.G. Bens (Delayfix), punt 61; HvJ 4 juni 2009, C-243/08, ECLI:EU:C:2009:350, NJ 2009/395 m.nt. M.R. Mok (Pannon GSM); HvJEU 26 oktober 2006, C-168/05, ECLI:EU:C:2006:675, NJ 2007/201 m.nt. M.R. Mok, TvA 2007/55 m.nt. E.R. Meerdink (Mostaza Claro); HvJEU 27 juni 2000, C-240/98–C-244/98, ECLI:EU:C:2000:346, NJ 2000/730, Ondernemingsrecht 2002/35 m.nt. M.R. Mok (Océano).

68

Vgl. HvJEU 28 juli 2016, C-191/15, ECLI:EU:C:2016:612, NJ 2018/188 m.nt. Th.M. de Boer, AA 2016/0957 m.nt. A.A.H. van Hoek, Neth Int Law Rev (2017) 64:163–175 m.nt. J. Rutgers (Verein für Konsumenteninformation/Amazon EU), punten 69-71.

69

Vgl. HvJEU 7 april 2022, C-385/20, ECLI:EU:C:2022:278, NJ 2022/271 m.nt. M.B.M. Loos (EL en TP/Caixabank), punt 46.

70

Terzijde: wanneer de rechter art. 237 Rv toepast, dient hij ervoor te waken dat dit niet gebeurt op een wijze die de consument ervan zou kunnen weerhouden een beroep op de rechter te doen (zie hiervoor in 3.8). Dit geldt ongeacht de vraag of de overeenkomst een oneerlijk proceskostenbeding bevat.

71

Punt 11: Regel 6.a van bijlage II bij Real Decreto 1426/1989, por el que se aprueba el arancel de los notarios (koninklijk besluit 1426/1989 tot goedkeuring van de honoraria van notarissen), van 17 november 1989 (BOE nr. 285 van 28 november 1989, blz. 37169), bepaalt in de op de feiten van de hoofdgedingen toepasselijke versie: „[De verplichting tot betaling van de rechten komt te liggen bij] de partij die de notaris heeft verzocht op te treden of die gebruik heeft gemaakt van diens diensten en, in voorkomend geval, bij de belanghebbenden volgens de materiële en fiscale regels [...].”

Punt 12: De achtste regel van bijlage II bij Real Decreto 1427/1989, por el que se aprueba el arancel de los registradores de la propiedad (koninklijk besluit 1427/1989 tot goedkeuring van de honoraria van hypotheekbewaarders), van 17 november 1989 (BOE nr. 285 van 28 november 1989, blz. 37171), zoals van toepassing ten tijde van de feiten in de hoofdgedingen, legt de verplichting om de honoraria van de hypotheekbewaarder te betalen bij „degene(n) op naam van wie het recht onmiddellijk wordt in- of overgeschreven, of bij [...] degene die om de desbetreffende dienst verzoekt, op wiens naam het recht wordt ingeschreven of voor wie een verklaring wordt aangevraagd.”

72

In WR 2022, p. 586 noot 26, omschreef ik dit arrest nog als een slecht te verklaren outlier. Pavillon & Spanjaard, NJB 2021/1392, par. 3.2 op p. 1565, voetnoot 23, noemen het arrest een vreemde eend in de bijt.

73

A-G Szpunar, ECLI:EU:C:2022:715, voor HvJEU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14, NJ 2024/268 m.nt. M.B.M. Loos (Uurtarief advocaat).

74

R. Serafin, ‘The Court of Justice on Unfair Terms and Supplementation of the Contract: How Far Is Too Far?’, EuCML 2023/150, p. 154 (noot 50): “The (...) argument misses the point since the clause at issue did not deal with the position of the third party, who is entitled to payment in any event, but with the contractual relationship between the consumer and the trader. In fact, the aim of the term was to distribute between the parties the obligation to pay for the costs. Excluding the application of any suppletive rule – once the consumer is totally freed from his obligations, following the removal of the term, and since the obligation to pay the third party still exists – the burden must necessarily fall upon the other contracting party. Given that the trader should have borne the liability to pay for the costs, the consumer should have had a (contractual) right to claim full reimbursement for the payments already made. It is submitted that doctrinal adherence to Kásler and maximisation of the dissuasive effect of the Directive should have led to such a conclusion. But obviously this is not how the Court decided, thus departing from its precedents.”

75

Zie daarover HvJEU 6 oktober 2021, zaak C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799 AB 2022/133 m.nt. R. Grimbergen, BNB 2022/48 m.nt. P.J. Wattel, JB 2021/179 m.nt. J. Krommendijk (Consorzio Italian Management c.s./Rete Ferroviaria Italiana), punt 66.