III. Feiten van het hoofdgeding
9.
Verweerder in het hoofdgeding heeft met verzoekster in dit geding vijf overeenkomsten inzake het verrichten van juridische diensten gesloten. Deze overeenkomsten hadden betrekking op de vertegenwoordiging van verweerder in het hoofdgeding: i) in een civiele zaak die verband hield met de vaststelling dat bepaalde vermogensbestanddelen onder de regeling inzake de mede-eigendom vallen; ii) in een civiele zaak tot vaststelling van de woonplaats van minderjarige kinderen, van het recht van omgang met deze kinderen en van het verschuldigde onderhoudsbedrag; iii) bij de inleiding van een door het politiebureau en het openbaar ministerie verricht onderzoek, en iv) in het onderzoek voor deze autoriteiten alsmede v) in een echtscheidingszaak.
10.
In de overeenkomsten is bedongen dat de advocaat zich ertoe verbindt om mondeling of schriftelijk overleg te plegen, om juridische conceptdocumenten op te stellen en deze te ondertekenen, om een juridische toetsing van stukken te verrichten en om de cliënt te vertegenwoordigen voor verschillende autoriteiten en de daarmee verband houdende werkzaamheden te verrichten.
11.
Tegelijkertijd is in de overeenkomsten bepaald dat de vergoeding van de advocaat 100 EUR bedraagt voor elk uur dat zij overleg met haar cliënt pleegt of juridische diensten verricht. Een deel van deze vergoeding diende te worden betaald zodra de advocaat een factuur voor haar juridische diensten had uitgereikt, rekening houdend met het aantal uren dat zij aan het overleg of aan de verrichting van de juridische diensten had besteed.
12.
Bovendien diende verweerder in het hoofdgeding volgens de bewoordingen van de verschillende overeenkomsten bepaalde bedragen vooruit te betalen. Uit dien hoofde heeft verweerder een bedrag van 5 600 EUR voldaan.
13.
Verzoekster in het hoofdgeding heeft diensten verricht in de periode van april tot en met december 2018 en van januari tot en met maart 2019.
14.
Op 21 en 26 maart 2019 heeft zij facturen uitgereikt voor de juridische diensten die door haar aan de verwerende partij in het hoofdgeding waren verleend.
15.
Op 10 april 2019 heeft verzoekster in het hoofdgeding de rechter in eerste aanleg verzocht verweerder in het hoofdgeding te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van 9 900 EUR voor het verrichten van juridische diensten, alsmede van een bedrag van 194,30 EUR ter vergoeding van de door haar gemaakte kosten, vermeerderd met de rente en de proceskosten.
16.
De rechter in eerste aanleg heeft geoordeeld dat verzoekster in het hoofdgeding diensten heeft verricht waarvoor haar volgens de overeenkomsten een vergoeding van 12 900 EUR verschuldigd was. Tegelijkertijd heeft deze rechter geoordeeld dat de contractuele bedingen inzake de vergoeding voor het verrichten van juridische diensten oneerlijk waren en heeft hij de vergoeding gehalveerd tot een bedrag van 6 450 EUR.
17.
Aangezien verweerder in het hoofdgeding reeds een bedrag van 5 600 EUR aan verzoekster in het hoofdgeding had betaald, heeft de rechter in eerste aanleg haar een bedrag van 850 EUR toegekend, vermeerderd met 194,30 EUR uit hoofde van de door haar gemaakte kosten. De rechter heeft tevens uitspraak over de rente en de proceskosten gedaan.
18.
Verzoekster in het hoofdgeding heeft hoger beroep tegen de uitspraak van de rechter in eerste aanleg ingesteld. Deze uitspraak is bevestigd bij beslissing van de rechter in tweede aanleg, waartegen verzoekster in het hoofdgeding bij de verwijzende rechter cassatieberoep heeft ingesteld.
19.
Naar het oordeel van de verwijzende rechter zijn twee van de in de litigieuze overeenkomsten opgenomen bedingen van fundamenteel belang voor de beslechting van het geschil tussen partijen: i) het contractuele beding inzake de vaststelling van de kosten van de daadwerkelijk verrichte diensten op basis van een uurtarief en ii) het contractuele beding inzake de betalingsvoorwaarden van de juridische diensten. Indien in de overeenkomst melding was gemaakt van een uurtarief maar de omvang en de duur van de specifieke juridische diensten en de verwachte definitieve kosten niet nader zijn besproken, was de consument mogelijk niet in staat om de omvang van de door hem benodigde diensten en de uiteindelijke kostprijs daarvan te beoordelen.
20.
Hoewel de verwijzende rechter in bepaalde passages van het verzoek om een prejudiciële beslissing afzonderlijk lijkt te verwijzen naar het contractuele beding inzake het uurtarief en naar het beding inzake de betalingsvoorwaarden van de juridische diensten, zal ik deze in het kader van deze conclusie niet apart behandelen maar ze tezamen aanduiden als contractueel beding inzake de vergoeding.
21.
De vijfde en de zesde prejudiciële vraag hebben namelijk betrekking op de gevolgen die, zonder inbreuk te maken op richtlijn 93/13, kunnen worden verbonden aan de vaststelling van het oneerlijke karakter van een dergelijk contractueel beding. Wat dat betreft is de verwijzende rechter van oordeel dat de litigieuze overeenkomsten zonder dat beding niet kunnen voortbestaan en dat zij derhalve nietig moeten worden verklaard.
22.
Naar het oordeel van de verwijzende rechter volgt uit de rechtspraak over richtlijn 93/13 dat het contractuele beding inzake de vergoeding moet worden behandeld alsof het voor de consument nooit bindend is geweest. Dat zou betekenen dat de nationale rechter kan weigeren om aan de advocaat een vergoeding voor de door haar verrichte juridische diensten toe te kennen.
23.
De verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats evenwel af of het trekken van een dergelijke consequentie uit de vaststelling dat de bedingen van de litigieuze overeenkomsten oneerlijk zijn niet in strijd is met het beginsel dat overeenkomsten inzake de verrichting van diensten onder bezwarende titel worden uitgevoerd. In de tweede plaats is de verwijzende rechter weliswaar van oordeel dat een dergelijk gevolg een passende sanctie is voor een ondernemer die oneerlijke bedingen hanteert, maar is het volgens deze rechter twijfelachtig of een dergelijke sanctie, wanneer de advocaat in het geheel niet voor de door haar verrichte diensten wordt betaald, niet tot een ongerechtvaardigde verrijking van de consument en tot een kennelijk onbillijke uitkomst leidt.
24.
Bij het onderzoek van de mogelijkheid om een vergoeding aan de advocaat toe te kennen ten belope van een bepaald bedrag gaat de verwijzende rechter voorts na of de rechtspraak van de nationale rechterlijke instanties volgens welke de vaststelling van een oneerlijk beding inzake de contractuele prijs aan de rechter de mogelijkheid biedt om de kosten van verrichte diensten te verlagen of om de kostprijs van dergelijke diensten dan wel de laagst mogelijke marktprijs toe te kennen, de afschrikkende werking van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 niet wegneemt en als zodanig niet in strijd is met de langetermijndoelstelling van deze bepaling.
V. Analyse
27.
Met de vijfde en de zesde prejudiciële vraag, die tezamen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen er, in een situatie waarin een door een consument met een ondernemer gesloten overeenkomst inzake het verrichten van juridische diensten als gevolg van de schrapping van een daarin opgenomen oneerlijk beding inzake de vergoeding voor dergelijke diensten niet kan voortbestaan en de betreffende diensten reeds zijn verricht, niet aan in de weg staan dat de nationale rechter, in plaats van aan de ondernemer een vergoeding voor het verrichten van juridische diensten ten belope van een bepaald bedrag toe te kennen, de door de ondernemer tegen de consument ingestelde vordering tot betaling in haar geheel afwijst.
28.
Op dit punt dient te worden verduidelijkt dat de rechters in eerste en tweede aanleg in het hoofdgeding de vergoeding voor de verrichte juridische diensten hebben gehalveerd.(3) Hoewel de verwijzende rechter kennisneemt van het cassatieberoep tegen de beslissing van de rechter in tweede aanleg, zijn de vijfde en de zesde prejudiciële vraag niet beperkt tot de kwestie of richtlijn 93/13 zich tegen een dergelijke verlaging van de vergoeding verzet.
29.
Het is juist dat de verwijzende rechter er in de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing op wijst dat hij twijfels heeft over de verenigbaarheid met de richtlijn van de rechtspraak van de nationale rechterlijke instanties, die, naast de toekenning van de kostprijs van dergelijke diensten of van de laagst mogelijke marktprijs, de mogelijkheid biedt om de vergoeding voor verrichte diensten te verlagen.(4)
30.
De vijfde prejudiciële vraag strekt er evenwel uitsluitend toe te vernemen of de vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding die de nietigheid van de gehele overeenkomst tot gevolg heeft, er in het licht van richtlijn 93/13 toe kan leiden dat een ondernemer in het geheel geen vergoeding krijgt voor de door hem verrichte juridische diensten.
31.
Voorts maakt de verwijzende rechter in de bewoordingen van de zesde prejudiciële vraag melding van drie mogelijkheden voor de vaststelling van het bedrag van een dergelijke vergoeding, namelijk i) krachtens de litigieuze overeenkomsten, ii) aan de hand van de minimumkosten van juridische diensten zoals vastgesteld overeenkomstig de nationale wetgeving(5) of iii) op basis van de omstandigheden aan de hand waarvan een „redelijk” bedrag voor een dergelijke vergoeding kan worden vastgesteld. Wat dat betreft maakt de verwijzende rechter niet duidelijk of de door hem overwogen mogelijkheden inhouden dat de litigieuze overeenkomsten kunnen worden gehandhaafd en de bewoordingen ervan kunnen worden gewijzigd of dat de vergoeding voor de juridische diensten door de rechter moet worden vastgesteld op grond van andere bepalingen van Litouws recht betreffende diensten die zonder rechtsgrondslag zijn verricht.
32.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing bevat geen informatie over de omvang van de toetsing die bij de behandeling van het cassatieberoep door de verwijzende rechter is verricht. Hoe dan ook hebben de vijfde en de zesde prejudiciële vraag betrekking op dezelfde kwestie die voor deze rechterlijke instantie is opgeworpen. Deze kwestie houdt verband met de gevolgen van de vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding die de nietigheid van de betreffende overeenkomst tot gevolg heeft. Ik stel derhalve voor om deze vragen tezamen te behandelen.
33.
Alvorens de prejudiciële vragen te analyseren geef ik een uiteenzetting van de standpunten die door de belanghebbende partijen zijn uiteengezet in hun schriftelijke opmerkingen. Vervolgens ga ik in op de rechtspraak van het Hof over de gevolgen van de vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding en op de relevantie daarvan voor de onderhavige zaak. Op grond daarvan formuleer ik een voorstel voor een antwoord op deze vragen.
A.
Standpunten van de belanghebbenden
34.
Verzoekster in het hoofdgeding is van mening dat de in de litigieuze overeenkomsten opgenomen bedingen inzake de vergoeding voor het verrichten van juridische diensten betrekking hebben op het „eigenlijke voorwerp van de overeenkomst” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, dat deze bedingen zijn geformuleerd in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen en dat derhalve niet kan worden onderzocht of ze oneerlijk zijn.
35.
Bijgevolg gaat verzoekster in het hoofdgeding slechts ten overvloede in op de vijfde en de zesde prejudiciële vraag. Zij is van mening dat het wegens de aard van een overeenkomst inzake het verrichten van diensten onder bezwarende titel onmogelijk is om de situatie te herstellen waarin de consument zou hebben verkeerd indien het betreffende beding niet in de litigieuze overeenkomsten was opgenomen, aangezien de juridische diensten reeds zijn verricht krachtens de litigieuze overeenkomsten. Een andersluidende uitlegging, die de nationale rechter zou toestaan om de rechtsverhouding tussen de partijen te herkwalificeren en om deze verhouding om te vormen in een overeenkomst inzake het verrichten van diensten om niet, zou het wezen van de litigieuze overeenkomsten ondergraven. Tegelijkertijd lijkt verzoekster in het hoofdgeding te betogen dat een verlaging van de vergoeding zoals die door de rechter in eerste aanleg in het hoofdgeding is verricht, geen afbreuk doet aan de door richtlijn 93/13 vereiste afschrikkende werking.
36.
Het standpunt van de Duitse regering, die eveneens slechts ten overvloede ingaat op de zesde prejudiciële vraag, heeft dezelfde strekking. Volgens deze regering kan een oneerlijk contractueel beding inzake de vergoeding voor het verrichten van juridische diensten worden vervangen door een beding van aanvullend recht inzake de vergoeding voor het verrichten van dergelijke diensten.
37.
De Litouwse regering is van mening dat de nationale rechter in een situatie waarin door een advocaat juridische diensten zijn verricht ter uitvoering van een overeenkomst waarvan de bedingen oneerlijk zijn verklaard, gelet op het oogmerk om het gebruik van oneerlijke bedingen te voorkomen, aan deze advocaat een vergoeding dient toe te kennen die rekening houdt met de omstandigheden van het betreffende geval, de complexiteit van de zaak, de opleiding en ervaring van de advocaat, de financiële situatie van de cliënt en de overige relevante omstandigheden.
38.
De Commissie is een andere mening toegedaan. Zij is van mening dat oneerlijk verklaarde contractuele bedingen inzake een vergoeding geen rechtsgevolgen kunnen sorteren. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, volgens welke de nationale rechter het wegvallen van een overeenkomst kan voorkomen door een oneerlijk contractueel beding te vervangen door een bepaling van aanvullend recht teneinde te voorkomen dat de consument wordt geconfronteerd met „uiterst nadelige consequenties”, is de Commissie van mening dat in de onderhavige zaak geen beroep op de in die rechtspraak ontwikkelde oplossing behoeft te worden gedaan. Volgens de Commissie is er geen reden om aan te nemen dat de nietigverklaring van de litigieuze overeenkomsten dergelijke „consequenties” voor de consument kan hebben.
B.
Rechtspraak over de gevolgen van de schrapping van een oneerlijk contractueel beding in een situatie waarin de overeenkomst zonder dat beding kan voortbestaan
39.
Volgens vaste rechtspraak staat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 eraan in de weg dat de nationale rechter, in een situatie waarin een overeenkomst na de schrapping van een oneerlijk contractueel beding kan voortbestaan, de mogelijkheid heeft om de bewoordingen van dat beding te wijzigen in plaats van het beding bij de beoordeling van de rechten en verplichtingen van de partijen bij de met een consument gesloten overeenkomst eenvoudigweg buiten toepassing te laten.(6) De nationale rechter is in beginsel evenmin gerechtigd om in de plaats van een oneerlijk contractueel beding een bepaling van aanvullend nationaal recht toe te passen om de rechten en verplichtingen te regelen van de partijen waarop dat beding betrekking had.
40.
Dat wordt bevestigd door het arrest Dexia Nederland(7), waarin het Hof heeft verklaard dat richtlijn 93/13 zich ertegen verzet dat een verkoper als gevolg van de oneerlijkverklaring van een beding dat voorziet in de betaling van een schadevergoeding aan deze verkoper voor het geval dat de consument zijn contractuele verplichtingen niet nakomt, aanspraak kan maken op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest.
41.
De verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken, buiten toepassing te laten leidt in beginsel tot de verplichting om een overeenkomstig bedrag terug te betalen.
42.
De rechtspraak van het Hof die ingaat op het vraagstuk van vorderingen tot terugbetaling heeft in de eerste plaats betrekking op vorderingen van consumenten tegen verkopers. Dat kan worden verklaard door de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, waarin is bepaald dat de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat oneerlijke bedingen „de consument niet binden” en niet dat dergelijke bedingen evenmin bindend mogen zijn voor de verkoper. Het Hof benadrukt dat de vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding, althans in beginsel, tot gevolg moet hebben dat de situatie wordt hersteld waarin de consument rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd (artikel 6, lid 1, van de richtlijn).(8) Het gaat er in dit geval niet zozeer om de gelijkwaardigheid van de prestaties van de consument en de verkoper tot stand te brengen als wel om ervoor te zorgen dat de vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding niet louter symbolisch van aard is, terwijl de consument in een dergelijke situatie blijft instaan voor de gevolgen van de opname in de overeenkomst van een beding waardoor de rechten en verplichtingen van de contractpartijen in zijn nadeel worden vormgegeven. Het Hof voegt daar trouwens aan toe dat het ontbreken van een terugbetalingsplicht afbreuk kan doen aan de afschrikkende werking van de richtlijn, waarmee wordt getracht om te voorkomen dat verkopers gebruikmaken van oneerlijke contractuele bedingen (artikel 6, lid 1, van de richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, ervan).(9)
43.
Het is juist dat het Hof in het arrest Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria(10) heeft geoordeeld dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de nationale rechter die wordt geconfronteerd met een nietig, oneerlijk contractueel beding dat de consument alle vestigings‑ en doorhalingskosten van de hypotheek moet dragen, kan weigeren te gelasten dat de consument de uit hoofde van dit beding betaalde sommen krijgt terugbetaald, tenzij de nationaalrechtelijke bepalingen die bij gebreke van dit beding toepassing zouden vinden, die kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de consument leggen.
44.
Hoewel dit arrest in de rechtsleer bepaalde uitleggingsvragen doet rijzen(11), lijkt het met het oog op de verenigbaarheid ervan met de rechtspraak over richtlijn 93/13 aldus te moeten worden opgevat dat het betrekking heeft op vorderingen tot terugbetaling en niet op de vervanging van een contractueel beding door een bepaling van aanvullend recht of op de wijziging van de bewoordingen van een overeenkomst. Het leek daarbij te gaan om vorderingen tot terugbetaling van kosten die uiteindelijk niet zijn gemaakt jegens de verkoper die partij was bij de betreffende overeenkomst (ook al moesten de middelen ter financiering van die kosten misschien indirect aan die verkoper worden overgemaakt) maar jegens derden.
45.
Dit arrest kan derhalve aldus worden gelezen dat daarin sprake was van een contractueel beding dat de consument alle vestigings‑ en doorhalingskosten van een hypotheek moest dragen. Aangezien een dergelijk beding geen gevolgen heeft voor die consument in zijn betrekkingen met de verkoper, is bij het onderzoek van vorderingen tot terugbetaling mogelijk een rol weggelegd voor nationale regels die bepalen dat het de consument is die de kosten jegens derden moet dragen. In een dergelijke situatie zou de toewijzing van een door de consument ingestelde vordering tot terugbetaling in wezen de volgens de rechtspraak ongeoorloofde vervanging van een contractueel beding door een bepaling van aanvullend recht vereisen of aanleiding moeten geven tot een ongeoorloofde wijziging van de bewoordingen van het betreffende litigieuze beding om te kunnen oordelen dat de verkoper verplicht is om de consument vrij te stellen van de schuld die krachtens deze nationale bepalingen op hem rust.
46.
Welke uitlegging ook moet worden gegeven aan het arrest Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria(12), daaruit kunnen voor de onderhavige zaak geen al te vergaande conclusies worden getrokken. In geding in dat arrest was de toepassing van een nationale bepaling die geen betrekking had op de wederzijdse rechten en verplichtingen van de verkoper en de consument maar op de verplichtingen van die consument jegens derden. Belangrijker is dat dit arrest betrekking heeft op een situatie waarin de overeenkomst na de schrapping van een oneerlijk contractueel beding uit deze overeenkomst kan voortbestaan, terwijl het in de onderhavige zaak twijfelachtig lijkt of de litigieuze overeenkomsten zonder het contractuele beding inzake de vergoeding kunnen voortbestaan.
C.
Rechtspraak over situaties waarin de overeenkomst naar nationaal recht niet kan voortbestaan
47.
Relevanter is de rechtspraak over de gevolgen van de vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding in een situatie waarin de overeenkomst naar nationaal recht niet zonder dat beding kan voortbestaan. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing volgt namelijk dat tenuitvoerlegging van de litigieuze overeenkomsten zonder het beding inzake de vergoeding niet mogelijk blijft, hetgeen de nietigheid van deze overeenkomsten tot gevolg heeft. De uiteindelijke beoordeling daarvan wordt aan de nationale rechter overgelaten.(13)
48.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat wanneer de nationale rechter overeenkomstig de bepalingen van zijn nationale recht van oordeel is dat de handhaving van een overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen niet mogelijk is, artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 zich er in beginsel niet tegen verzet dat deze overeenkomst nietig wordt verklaard.(14)
49.
De nietigverklaring van een overeenkomst kan evenwel worden belemmerd door de gevolgen van een dergelijke nietigverklaring voor de consument.
50.
Overeenkomstig het arrest Kásler en Káslerné Rábai(15) (hierna: „arrest Kásler”), waarin de grondslag is gelegd voor deze rechtspraak die is ontwikkeld en verduidelijkt in latere prejudiciële beslissingen, verzet artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 zich er niet tegen dat de nationale rechter de mogelijkheid heeft om een oneerlijk contractueel beding te vervangen door een bepaling van aanvullend nationaal recht of door een bepaling die toepassing vindt wanneer de partijen bij de betreffende overeenkomst daarmee instemmen. De mogelijkheid van een dergelijke vervanging is in de rechtspraak beperkt tot gevallen waarin de consument ten gevolge van de nietigverklaring van de overeenkomst zou kunnen worden geconfronteerd met „uiterst nadelige consequenties”.(16)
51.
Oneerlijke contractuele bedingen kunnen worden vervangen door bepalingen die het door de nationale wetgever nagestreefde evenwicht tot uitdrukking brengen tussen alle rechten en verplichtingen van de partijen bij bepaalde overeenkomsten in gevallen waarin de partijen niet zijn afgeweken van een door de nationale wetgever voor de betrokken overeenkomsten vastgestelde standaardregel. Oneerlijke bedingen in overeenkomsten kunnen evenwel niet worden vervangen op de enkele basis van algemene nationale normen die niet specifiek door de wetgever zijn beoordeeld met het oog op de vaststelling van een evenwicht tussen alle rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst en volgens welke de in een rechtshandeling tot uitdrukking gebrachte gevolgen met name worden aangevuld door de gevolgen die voortvloeien uit het billijkheidsbeginsel of uit de gangbare praktijken.(17)
52.
In een van zijn beschikkingen lijkt het Hof in te stemmen met de mogelijkheid om de consument te beschermen tegen „uiterst nadelige consequenties” door te voorzien in de mogelijkheid om krachtens een rechterlijke beslissing de omstandigheden vast te stellen waarin de verkoper zich kan beroepen op rechten die voortvloeien uit oneerlijke contractuele bedingen en om dit te doen op een wijze die afwijkt van de omstandigheden die zijn beschreven in de overeenkomst.(18)
53.
Met het oog op de verenigbaarheid van deze beschikking met de hier besproken rechtspraak dient deze beschikking mijns inziens aldus te worden opgevat dat deze omstandigheden in een dergelijk geval hoe dan ook aldus moeten worden vastgesteld dat zij voldoen aan de voorwaarden voor het vervangen van oneerlijke contractuele bedingen door bepalingen van aanvullend recht en, met name, dat een dergelijke interventie van de rechter de nuttige werking van richtlijn 93/13 en de verwezenlijking van de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen niet in gevaar brengt.
54.
Aldus lijkt tevens recht te worden gedaan aan de overwegingen die zijn opgenomen in het arrest Banca B.(19), waarin het Hof heeft verduidelijkt dat richtlijn 93/13 er niet toe strekt uniforme oplossingen aan te dragen met betrekking tot de gevolgen die aan de vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst moeten worden verbonden.
55.
De rechter moet er ten eerste voor zorgen dat de gelijkheid tussen de partijen bij de overeenkomst – die door de toepassing van een oneerlijk beding jegens de consument in gevaar wordt gebracht – kan worden hersteld. Ten tweede moet worden verzekerd dat de verkoper ervan wordt weerhouden dergelijke bedingen op te nemen in de overeenkomsten die hij consumenten aanbiedt.(20)
56.
In beginsel kunnen deze door de richtlijn nagestreefde doelstellingen „afhankelijk van het geval en het nationale rechtskader” worden verwezenlijkt door het betreffende oneerlijke beding jegens de consument eenvoudig buiten toepassing te laten of, wanneer de overeenkomst zonder het nietig verklaarde beding niet kon voortbestaan, door dat beding te vervangen door nationale bepalingen van aanvullend recht. Deze gevolgen van de vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst putten echter niet alle mogelijke oplossingen uit.(21)
57.
In het besproken arrest heeft het Hof dan ook verklaard dat bij gebreke van bepalingen van aanvullend recht die kunnen verhinderen dat een overeenkomst die oneerlijke bedingen bevat, een einde neemt, en indien de nietigverklaring van de overeenkomst de consument zou confronteren met „uiterst nadelige consequenties”, een interventie van de nationale rechter geoorloofd is (deze kan alle maatregelen nemen „die noodzakelijk zijn om de consument te beschermen tegen de uiterst nadelige gevolgen die uit de nietigverklaring van de betrokken kredietovereenkomst […] zouden kunnen voortvloeien”), maar dat de uitoefening van de bevoegdheid van deze rechter niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is om het contractuele evenwicht tussen de partijen bij de overeenkomst te herstellen en aldus, zonder de door richtlijn 93/13 nagestreefde doelstellingen in gevaar te brengen, de consument te beschermen tegen de uiterst nadelige gevolgen die uit de nietigverklaring van de betreffende overeenkomst zouden kunnen voortvloeien.(22) De bewoordingen van oneerlijke contractuele bedingen vrijelijk wijzigen of beperken is uitgesloten.
D.
Gevolgen van de vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding inzake de vergoeding voor het verrichten van juridische diensten
58.
De rechtspraak waarvoor de grondslag is gelegd in het arrest Kásler is ontwikkeld in het kader van zaken waarin het, gelet op de geldelijke aard van de overdrachten tussen de contractpartijen en op de mogelijkheid van de instelling van vorderingen tot terugbetaling, in beginsel mogelijk leek om de toestand te herstellen die zou hebben bestaan indien de overeenkomst niet was gesloten.(23) In een dergelijke situatie zou de consument, gelet op de mogelijkheid van de instelling van vorderingen tot terugbetaling en, met name, op de daarmee samenhangende onmiddellijke uitvoerbaarheid van dergelijke door de verkoper ingestelde vorderingen tot terugbetaling van de aan de consument verstrekte hoofdsom, evenwel worden geconfronteerd met „uiterst nadelige consequenties”.
59.
De door richtlijn 93/13 aan de consument geboden bescherming gaat namelijk niet zo ver dat zij aan de lidstaten de verplichting oplegt om zonder uitzondering, alsof alle bedingen van de betreffende overeenkomst oneerlijk waren, alle gevolgen op te heffen van een rechtshandeling waarin een oneerlijk contractueel beding is opgenomen.(24) Dat volgt uit artikel 6, lid 1, van deze richtlijn, waarin de door deze bepaling voorgeschreven sanctie wordt gekoppeld aan het oneerlijke contractuele beding en niet aan de hele overeenkomst waarin dat beding is opgenomen.
60.
Het wordt, althans in beginsel, aan het nationale recht overgelaten om de vraag te beantwoorden welke gevolgen het wegvallen van een overeenkomst voor de contractpartijen heeft en, in het bijzonder, of en hoe deze partijen moeten worden hersteld in de situatie waarin zij zouden hebben verkeerd indien de overeenkomst niet was gesloten.
61.
In beginsel staat het aan het nationale recht om te bepalen dat een overeenkomst niet kan voortbestaan wanneer overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de richtlijn een oneerlijk contractueel beding uit deze overeenkomst is geschrapt. Het staat tevens aan het nationale recht om te bepalen wat de gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst zijn, zij het dat deze gevolgen geen afbreuk mogen doen aan het nuttige effect van de bepalingen van de richtlijn en zij niet in strijd mogen zijn met de door de richtlijn nagestreefde doelstellingen.
62.
Uit het arrest Lombard Lízing(25) volgt dat zelfs wanneer de nationale rechter van oordeel is dat het niet mogelijk is om de situatie te herstellen waarin de partijen zich zouden hebben bevonden indien de overeenkomst niet was gesloten, hoewel het nationale recht dit vereist, de interventie van deze rechter in de rechten en verplichtingen van de partijen hem niet ontslaat van zijn verplichting zich ervan te vergewissen dat de consument uiteindelijk in de positie verkeert waarin hij zich zou hebben bevonden indien het als oneerlijk aangemerkte beding nooit had bestaan.
63.
Zoals het uiteindelijk aan de nationale rechter staat om na te gaan of de nietigverklaring van overeenkomsten die als oneerlijk aangemerkte bedingen bevatten, ertoe leidt dat de consument wordt geconfronteerd met „uiterst nadelige consequenties”(26), staat het ook aan deze rechter om te beoordelen of het mogelijk is om de situatie te herstellen waarin de contractpartijen zich zouden hebben bevonden indien deze overeenkomst niet was gesloten(27).
64.
In het verzoek om een prejudiciële beslissing wordt gesuggereerd dat de verwijzende rechter, gelet op de aard van de litigieuze overeenkomsten inzake het verrichten van juridische diensten en rekening houdend met het feit dat deze diensten reeds zijn verricht, van oordeel is dat het in het hoofdgeding niet mogelijk is om de situatie te herstellen waarin de consument zou hebben verkeerd indien de oneerlijke bedingen niet in deze overeenkomsten waren opgenomen.
65.
Indien deze suggestie aldus moet worden opgevat dat de consument niet in staat is om de hem verstrekte diensten bij wijze van spreken „terug te geven”, rijst de vraag of het nationale recht met een dergelijke stand van zaken verenigbaar is en of dat recht aan degene die deze diensten heeft verricht niet de mogelijkheid biedt om vorderingen uit hoofde van het wegvallen van de overeenkomst in te stellen.
66.
Indien de aldus geformuleerde vraag naar nationaal recht bevestigend moet worden beantwoord, vereist richtlijn 93/13 niet dat de overeenkomst als het ware wordt „gered” om ervoor te zorgen dat de ondernemer die de oneerlijke contractuele bedingen in de overeenkomst heeft opgenomen, een vergoeding krijgt, onder het voorwendsel, om zo te zeggen, dat daarmee wordt getracht om de gelijkheid van de rechten en verplichtingen tussen de contractpartijen te waarborgen of om de situatie te herstellen waarin de consument zich zonder het oneerlijke contractuele beding zou hebben bevonden.
67.
In de eerste plaats mogen de gevolgen die het nationale recht aan de nietigheid van een overeenkomst verbindt, geen afbreuk doen aan de nuttige werking van de bepalingen van richtlijn 93/13 en mogen deze gevolgen niet in strijd zijn met de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen.(28) De richtlijn is bedoeld om de consument te beschermen en vereist niet dat aan verkopers een bepaald niveau van bescherming wordt geboden voor het geval dat een overeenkomst in haar geheel komt te vervallen omdat de verkoper daarin oneerlijke contractuele bedingen heeft gehanteerd.
68.
In de tweede plaats, en zoals ik reeds heb opgemerkt in punt 42 van deze conclusie, is het herstel van de juridische en feitelijke positie van de consument bedoeld om ervoor te zorgen dat de vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding niet louter symbolisch van aard is, ten nadele van de consument.
69.
In de derde plaats zou een andersluidende uitlegging van richtlijn 93/13 ertoe leiden dat overeenkomsten waarin oneerlijke contractuele bedingen zijn opgenomen door de nationale rechterlijke instanties stelselmatig worden „aangevuld”, hetgeen in strijd zou zijn met de door de richtlijn nagestreefde afschrikkende werking. Precies om die reden beperkt de rechtspraak waarvoor de grondslag is gelegd in het arrest Kásler de mogelijkheid om in de plaats van oneerlijke contractuele bedingen bepalingen van aanvullend recht toe te passen tot situaties waarin het wegvallen van een overeenkomst de consument kan confronteren met „uiterst nadelige consequenties”.
70.
Het enkele feit dat de consument niet in staat is om reeds verrichte juridische diensten bij wijze van spreken „terug te geven” hoeft evenwel niet te betekenen dat het nationale recht geen gevolgen verbindt aan de verrichting van dergelijke diensten krachtens een ongeldig gebleken overeenkomst. Het verzoek om een prejudiciële beslissing bevat hierover geen informatie. Indien het Litouwse recht een dergelijke wijze van liquidatie toestaat(29), zal de verwijzende rechter evenwel de afweging moeten maken of de nietigverklaring van de overeenkomst niet tot „uiterst nadelige consequenties” leidt. Derhalve moeten enkele opmerkingen worden gemaakt die de verwijzende rechter in staat moeten stellen uit te sluiten dat hij met een dergelijke situatie wordt geconfronteerd.
71.
De vraag of het nodig is om de belangen van de consument te beschermen tegen eventuele „nadelige consequenties” moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden die bestonden of konden worden voorzien op het moment van het geschil waarin de kwestie van het oneerlijke karakter van de contractuele bedingen is opgeworpen.(30) Van belang is wat de materieelrechtelijke situatie van deze consument zal zijn in een buitengerechtelijke en een gerechtelijke context, alsook wat zijn procedurele situatie in dergelijke andersoortige procedures zal zijn.(31)
72.
De opheffing van de gevolgen van een rechtshandeling waarbij een advocaat is opgetreden in naam en voor rekening van zijn cliënt kan leiden tot een situatie waarin de kwestie van de verrichting van deze diensten moet worden beoordeeld in het kader van andere juridische constructies die in de specifieke situatie en in het licht van de toepasselijke nationale bepalingen mogelijk voorzien in de instelling van vorderingen tot liquidatie van de kosten van dergelijke diensten. Daarbij kan een rol zijn weggelegd voor juridische constructies als onverschuldigde betaling of zaakwaarneming (negotiorum gestio). De oplossingen die in dit verband worden gehanteerd in de bepalingen van nationaal recht kunnen verschillen. Deze oplossingen kunnen bestaan in de terugbetaling van gemaakte kosten en gedane uitgaven of in de betaling van een bedrag dat overeenkomt met de marktprijs voor het verrichten van de betreffende diensten.
73.
Om vast te stellen dat de nietigverklaring van een kredietovereenkomst „uiterst nadelige consequenties” heeft, is het gewoonlijk voldoende dat een dergelijke nietigverklaring leidt tot de onmiddellijke opeisbaarheid van een door de verkoper ingestelde vordering tot terugbetaling van de aan de consument verstrekte hoofdsom. In het geval van de nietigverklaring van een overeenkomst inzake het verrichten van juridische diensten kan voor de loutere vaststelling van de tussen de partijen verschuldigde bedragen echter al een reeks handelingen nodig zijn om de omvang van de verrichte diensten vast te stellen en de waarde daarvan te ramen.
74.
Wat dat betreft kan moeilijk worden aangenomen dat dergelijke maatregelen door de consument zelfstandig kunnen worden getroffen. De nietigverklaring van een overeenkomst inzake de verlening van reeds verrichte juridische diensten kan de consument in een situatie van rechtsonzekerheid brengen. Dat is met name relevant omdat het oneerlijke karakter van het in de litigieuze overeenkomsten opgenomen beding er in het hoofdgeding mee in verband moet worden gebracht dat de consument niet in de gelegenheid was om de uiteindelijke kosten van de verrichte juridische diensten te beoordelen. Indien naar nationaal recht kan worden ingestemd met de liquidatie van de kosten van juridische diensten die zijn verricht in het kader van een overeenkomst die ongeldig is gebleken, brengen de schrapping van het contractuele beding inzake de vergoeding en de nietigverklaring van de overeenkomst de consument derhalve in een situatie die vergelijkbaar is met die welke door richtlijn 93/13 moest worden verholpen.
75.
Wanneer in deze specifieke situatie en in het licht van de toepasselijke nationale bepalingen kan worden ingestemd met een vorm van liquidatie van de kosten van juridische diensten die zijn verricht krachtens een overeenkomst die ongeldig is gebleken, moet bijgevolg worden geconcludeerd dat de nietigverklaring van de overeenkomst „uiterst nadelige consequenties” voor de consument heeft.
76.
Aanvullend zij erop gewezen dat de verrichting van juridische diensten erin kan bestaan in naam en voor rekening van een consument handelingen voor rechterlijke instanties en andere overheidsorganen te verrichten. Een overeenkomst inzake het verrichten van juridische diensten kan de grondslag vormen voor de volmacht aan een advocaat om zijn cliënt in dergelijke procedures te vertegenwoordigen en om voor hem op te treden. Daardoor rijst de vraag of de nietigheid van een dergelijke overeenkomst de geldigheid en de doeltreffendheid van de verrichte handelingen onverlet laat. Het antwoord op deze vraag wordt gegeven door het nationale recht. In het geval van twijfel over de geldigheid of de doeltreffendheid van dergelijke handelingen dient de nationale rechter na te gaan of de nietigverklaring van de overeenkomst „uiterst nadelige consequenties” voor de consument heeft.
77.
Indien de verwijzende rechter in het licht van de hierboven uiteengezette opmerkingen vaststelt dat de nietigverklaring van de overeenkomst kan leiden tot „uiterst nadelige consequenties”, kan hij maatregelen treffen om de consument tegen dergelijke consequenties te beschermen.
78.
Daarbij kan sprake zijn van de toepassing van een bepaling die door de wetgever aan een bijzonder onderzoek is onderworpen om het evenwicht tussen alle rechten en verplichtingen van de partijen vast te stellen(32) of van een ingreep in de bewoordingen van de overeenkomst die niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is om de door de richtlijn nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken(33).
79.
Uit de bewoordingen van de zesde prejudiciële vraag volgt dat de kosten van reeds verrichte juridische diensten naar Litouws recht kunnen worden geliquideerd door de vergoeding ervoor vast te stellen op het bedrag van de in de nationale wetgeving vastgestelde minimumkosten van dergelijke diensten (minimumtarieven).
80.
Ik ben van mening dat richtlijn 93/13 zich er niet tegen verzet dat de kosten van juridische diensten op deze wijze worden geliquideerd om te voorkomen dat het wegvallen van een overeenkomst „uiterst nadelige consequenties” voor de consument heeft.
81.
In de eerste plaats gaat het om een wijze van liquidatie van de kosten van juridische diensten die door de wetgever bevredigend wordt geacht vanuit het oogpunt van het evenwicht tussen alle rechten en verplichtingen van de partijen in het kader van procedures die aanhangig zijn krachtens het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.
82.
In de tweede plaats stelt deze wijze van liquidatie van de kosten van verrichte juridische diensten op basis van de in de nationale wetgeving vastgestelde minimumtarieven de consument in staat om te besluiten of hij gebruik wenst te maken van de bescherming die hem door richtlijn 93/13 wordt geboden en om dit te doen met volledige kennis van de economische gevolgen die een dergelijk besluit met zich brengt. Dat is met name van belang omdat de consument ook kan afzien van de bescherming die hem door deze richtlijn wordt geboden.(34) De nationale rechter dient hem evenwel te wijzen op de juridische gevolgen van de nietigverklaring van de overeenkomst, als gevolg waarvan de consument in voorkomend geval kan worden geconfronteerd met restitutievorderingen.(35)
83.
In de zesde prejudiciële vraag lijkt de verwijzende rechter er bovendien van uit te gaan dat nog een andere naar Litouws recht geoorloofde wijze van liquidatie van de kosten van verrichte diensten erin bestaat om daarvoor een „redelijke” vergoeding vast te stellen, rekening houdend met de complexiteit van de zaak, de opleiding en ervaring van de advocaat, de financiële situatie van de cliënt en de overige relevante omstandigheden. Hoewel de verwijzende rechter dit niet uitdrukkelijk aangeeft, komen de omstandigheden die het mogelijk moeten maken om een dergelijke „redelijke” vergoeding vast te stellen in wezen overeen met de omstandigheden die worden genoemd in de bepaling van Litouws recht waarin de richtsnoeren zijn opgenomen die door partijen bij een overeenkomst inzake het verrichten van juridische diensten in aanmerking moeten worden genomen wanneer zij de vergoeding daarvoor vaststellen.(36)
84.
Indien het naar nationaal recht mogelijk is om de kosten van verrichte juridische diensten te liquideren door een vergoeding vast te stellen op basis van minimumtarieven en de consument aldus kan worden beschermd tegen de „uiterst nadelige consequenties” van de nietigverklaring van een overeenkomst, verzet richtlijn 93/13 zich ertegen dat de nationale rechter gebruikmaakt van de hierboven uiteengezette wijze van liquidatie van de kosten van juridische diensten door de consument te verplichten tot het betalen van een „redelijke” vergoeding.
85.
Uit de rechtspraak volgt(37) dat de interventie van de nationale rechter in de inhoud van een overeenkomst niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is om het contractuele evenwicht tussen de partijen bij de overeenkomst te herstellen en om de consument aldus, zonder de door richtlijn 93/13 nagestreefde doelstellingen in gevaar te brengen, te beschermen tegen de uiterst nadelige gevolgen die uit de nietigverklaring van een overeenkomst kunnen voortvloeien. Aangezien dit evenwicht reeds is hersteld door de vaststelling van een vergoeding op basis van de minimumtarieven(38), lijkt een verdergaande interventie verder te gaan dan strikt noodzakelijk is.
86.
De eventuele gevolgen die door de nationale rechter aan de vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding worden verbonden dienen ervoor te zorgen dat de door richtlijn 93/13 nagestreefde doelstellingen worden verwezenlijkt.(39) Ook als het erom gaat de consument te beschermen tegen de „uiterst nadelige consequenties” van het wegvallen van een gesloten overeenkomst, moet de nationale rechter derhalve nagaan of deze consequenties de consument er niet van zullen weerhouden gebruik te maken van de hem door de richtlijn geboden bescherming en er niet toe zullen leiden dat de vaststelling van het oneerlijke karakter van het in geding zijnde contractuele beding geen afschrikkende werking heeft voor verkopers. Van een dergelijke situatie lijkt sprake te zijn wanneer het gebruik dat door een verkoper van een oneerlijk contractueel beding wordt gemaakt er met het oog op de vaststelling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst inzake het verrichten van juridische diensten toe leidt dat hem steeds een „redelijke” vergoeding moet worden toegekend.
(1)
Oorspronkelijke taal: Pools.
(2)
Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
(5)
De verwijzende rechter lijkt te verwijzen naar de rechtshandeling als beschreven in punt 8 supra.
(6)
Zie arrest van
14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349, punten 65 en 71
).
(7)
Arrest van
27 januari 2021 (C‑229/19 en C‑289/19, EU:C:2021:68, punt 67
).
(8)
Zie arrest van
21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 61
).
(9)
Zie arrest van
21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 63
).
(10)
Arrest van
16 juli 2020 (C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 55
).
(11)
Zie Combet, M., „Les clauses abusives dans les contrats bancaires et financiers (2e partie)”, Revue internationale des services financiers, deel 3, 2021, blz. 64; Węgrzynowski, Ł., „Skutek restytucyjny z dyrektywy 93/13/EWG a zasady rozliczeń stron w związku z nieważnością umowy zawierającej niedozwolone postanowienia umowne”, Przegląd Prawa Handlowego, deel 5, 2022, blz. 54.
(12)
Arrest van
16 juli 2020 (C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 55
).
(13)
Zie arrest van
5 juni 2019, GT (C‑38/17, EU:C:2019:461, punt 43
).
(14)
Zie arrest van
3 oktober 2019, Dziubak (C‑260/18, EU:C:2019:819, punt 43
).
(15)
Arrest van
30 april 2014 (C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 80
).
(16)
Het is juist dat de mogelijkheid om een oneerlijk beding te vervangen door een bepaling van aanvullend recht, gelet op het antwoord van het Hof in het arrest Kásler, mogelijk niet afhankelijk is van het intreden van „uiterst nadelige consequenties”. In wezen lijkt het standpunt van de Litouwse en de Duitse regering gebaseerd op een dergelijke lezing van dat arrest. Uit de arresten die na dit arrest zijn gewezen, volgt evenwel dat richtlijn 93/13 er alleen dan niet aan in de weg staat dat de nationale rechter de mogelijkheid heeft om een contractueel beding te vervangen door een bepaling van aanvullend recht wanneer de nietigverklaring van het betreffende oneerlijke beding de rechter verplicht om de overeenkomst in haar geheel nietig te verklaren en de consument daardoor wordt geconfronteerd met „uiterst nadelige consequenties”. Zie arresten van
14 maart 2019, Dunai (C‑118/17, EU:C:2019:207, punt 54
);
7 november 2019, Kanyeba e.a. (C‑349/18–C‑351/18, EU:C:2019:936, punten 70 en 74
), en
18 november 2021, A S.A. (C‑212/20, EU:C:2021:934, punt 72
).
(17)
Zie arresten van
3 oktober 2019, Dziubak (C‑260/18, EU:C:2019:819, punten 60‑62
), en
25 november 2020, Banca B. (C‑269/19, EU:C:2020:954, punt 35
).
(18)
Zie beschikking van
24 oktober 2019, Topaz (C‑211/17, niet gepubliceerd, EU:C:2019:906, punt 78
).
(19)
Arrest van
25 november 2020 (C‑269/19, EU:C:2020:954, punt 39
).
(20)
Arrest van
25 november 2020, Banca B. (C‑269/19, EU:C:2020:954, punt 38
).
(21)
Arrest van
25 november 2020, Banca B. (C‑269/19, EU:C:2020:954, punten 39 en 40
).
(22)
Arrest van
25 november 2020, Banca B. (C‑269/19, EU:C:2020:954, punten 41, 43
en 44).
(23)
Ook in het kader van kredietovereenkomsten kan evenwel de vraag rijzen of richtlijn 93/13 zich verzet tegen vorderingen die verder gaan dan de terugbetaling van de nominale waarde van de bedragen die de contractpartijen na het sluiten van de overeenkomst aan elkaar hebben overgemaakt. Het Hof is verzocht dit punt te verduidelijken in zaak C‑520/21, Bank M.
(24)
Tenzij de lidstaat daarvoor kiest door gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 8 van richtlijn 93/13.
(25)
Arrest van
31 maart 2022 (C‑472/20, EU:C:2022:242, punten 57 en 58
). In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat de belangen van de consument kunnen worden gevrijwaard door middel van terugbetaling van de bedragen die de kredietgever op basis van het oneerlijk verklaarde beding onverschuldigd heeft ontvangen, waarbij een dergelijke terugbetaling plaatsvindt op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Benadrukt zij dat het Hongaarse recht, waardoor de litigieuze overeenkomst werd beheerst, bepaalde dat „[i]ndien een overeenkomst ongeldig is, moet de situatie van voor de sluiting ervan worden hersteld” en, indien dat niet mogelijk is, „de rechter de overeenkomst van toepassing [kan] verklaren voor de periode tot aan de uitspraak van zijn vonnis”.
(26)
Zie arrest van
26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia (C‑70/17 en C‑179/17, EU:C:2019:250, punt 61
).
(27)
Zie arrest van
31 maart 2022, Lombard Lízing (C‑472/20, EU:C:2022:242, punt 57
).
(29)
Hoewel de definitieve beoordeling hiervan aan de nationale rechters moet worden overgelaten, lijkt uit artikel 1.80 van de Lietuvos Respublikos Civilinis kodeksas (burgerlijk wetboek van de Republiek Litouwen), zoals gewijzigd bij wet nr. VIII-1864 van 18 juli 2000, te volgen dat partijen in het geval van nietigverklaring van een overeenkomst aan elkaar dienen terug te geven wat zij op grond van de overeenkomst hebben ontvangen (restitutie) en dat zij, indien dit onmogelijk blijkt, elkaar in geld moeten vergoeden wat zij van elkaar hebben ontvangen, tenzij het recht voorziet in andere gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst. Hoe dan ook wijst niets erop dat in het Litouwse recht wordt aangenomen dat in het geval van ongeldigverklaring van een overeenkomst de toestand moet worden hersteld die bestond voorafgaand aan de sluiting van de overeenkomst of, indien dat niet mogelijk is, moet worden getracht om de betreffende overeenkomst te handhaven. Dit onderscheidt de bepalingen die in het hoofdgeding van toepassing zijn van het rechtskader waarin het arrest van
31 maart 2022, Lombard Lízing (C‑472/20, EU:C:2022:242
), is gewezen. Zie voetnoot 25 supra.
(30)
Zie arrest van
3 oktober 2019, Dziubak (C‑260/18, EU:C:2019:819, punt 50
).
(31)
Zie arrest van
26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia (C‑70/17 en C‑179/17, EU:C:2019:250, punt 61
).
(33)
Zie de punten 53‑57 supra.
(34)
Zie arresten van
3 oktober 2019, Dziubak (C‑260/18, EU:C:2019:819, punt 55
);
29 april 2021, Bank BPH (C‑19/20, EU:C:2021:341, punt 94
), en
2 september 2021, OTP Jelzálogbank e.a. (C‑932/19, EU:C:2021:673, punt 48
).
(35)
Zie arrest van
29 april 2021, Bank BPH (C‑19/20, EU:C:2021:341, punten 98 en 99
).
(37)
Zie de punten 53‑57 supra.
(39)
Zie de punten 56 en 57 supra.