Eerste en tweede vraag in zaak C‑154/15 en eerste vraag in de zaken C‑307/15 en C‑308/15
46
Met de twee vragen in zaak C‑154/15 en de eerste vraag in de zaken C‑307/15 en C‑308/15, die tezamen moeten worden behandeld, wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit het in rechte vastgestelde oneerlijke karakter, in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn, van een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper, in de tijd wordt beperkt tot enkel de bedragen die na de uitspraak van de beslissing waarbij in rechte het oneerlijke karakter ervan is vastgesteld, met toepassing van dat beding onverschuldigd zijn betaald.
47
Vooraf dient het door de Spaanse regering, Cajasur Banco en BPE aangevoerde argument te worden onderzocht dat de vraag wat de gevolgen zijn van de vaststelling dat een beding als aan de orde is in de hoofdgedingen oneerlijk is, niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, omdat de Tribunal Supremo met deze vaststelling een hoger beschermingsniveau voor consumenten heeft gewaarborgd dan de richtlijn.
48
In dat verband volgt uit de verwijzingsbeslissingen dat de Tribunal Supremo in het arrest van 9 mei 2013, ter rechtvaardiging van een toetsing van het eventueel oneerlijke karakter van de betrokken bodemrentebedingen met betrekking tot het eigenlijke voorwerp van de aan de orde zijnde overeenkomsten, het transparantievereiste in artikel 4, lid 2, van deze richtlijn aldus heeft uitgelegd dat hieronder niet alleen de eerbiediging van de formele transparantie van contractuele voorwaarden wordt verstaan, die verband houden met de duidelijke en begrijpelijke formulering ervan, maar ook de eerbiediging van de materiële transparantie, die verband houdt met de toereikendheid van de verstrekte gegevens aan de consument wat betreft zowel de juridische als de economische omvang van zijn contractuele verplichting.
49
Echter, zoals de advocaat-generaal in de punten 46 tot en met 50 van zijn conclusie heeft opgemerkt, komt de materiële transparantietoets van bedingen die betrekking hebben op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, voort uit de ingevolge artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 te verrichten toets. Deze bepaling bepaalt immers, in dezelfde bewoordingen als die van artikel 5 van deze richtlijn, dat de contractuele voorwaarden „duidelijk en begrijpelijk” moeten zijn geformuleerd.
50
Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat het voor een consument van wezenlijk belang is dat hij, vóór sluiting van de overeenkomst, kennisneemt van alle contractvoorwaarden en de gevolgen van sluiting van de overeenkomst. Hij zal met name op basis van de aldus verkregen informatie beslissen of hij gebonden wenst te worden door voorwaarden die de verkoper tevoren heeft vastgelegd (arrest van
21 maart 2013, RWE Vertrieb, C‑92/11, EU:C:2013:180, punt 44
).
51
Het onderzoek naar het oneerlijke karakter, in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, van een contractueel beding dat betrekking heeft op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, valt bijgevolg binnen de werkingssfeer van deze richtlijn in het algemeen, en van artikel 6, lid 1, ervan in het bijzonder, wanneer de consument vóór de sluiting van het contract niet over de benodigde informatie over de contractuele voorwaarden en de gevolgen van de sluiting ervan beschikte.
52
Voor zover de verwijzende rechters verwijzen naar het arrest van 9 mei 2013, waarin de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit de vaststelling dat de bodemrentebedingen oneerlijk zijn, wordt beperkt, moet dus worden onderzocht of artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het een dergelijke inperking door een nationale rechter toestaat.
53
Volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepalen de lidstaten dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden.
54
Deze bepaling moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden (zie in die zin arrest van
30 mei 2013, Asbeek Brusse en de Man Garabito, C‑488/11, EU:C:2013:341, punt 44
).
55
Bovendien gaat het hier om een dwingende bepaling die beoogt het door de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt (arrest van
14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 63
).
56
Gelet op de aard en het gewicht van het openbaar belang waarop de aan de consument – die zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt – verschafte bescherming berust, verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten volgens artikel 7, lid 1, juncto de vierentwintigste overweging ervan, in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien „om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers” (arrest van
30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai, C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 78
).
57
Hiertoe is de nationale rechter zonder meer verplicht om een contractueel oneerlijk beding buiten toepassing te laten, opdat dat beding geen bindende werking krijgt ten aanzien van de consument, maar heeft hij niet de bevoegdheid om de inhoud van een dergelijk beding te herzien (zie in die zin arrest van
14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 65
).
58
In dit verband moet de nationale rechter in de eerste plaats ambtshalve toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt.
59
De door de richtlijn vastgelegde bescherming is immers slechts volledig doeltreffend indien de nationale rechter die ambtshalve heeft vastgesteld dat een beding oneerlijk is, hieruit alle consequenties kan trekken zonder te wachten tot de consument die van zijn rechten in kennis is gesteld, verklaart dat hij om nietigverklaring van dit beding verzoekt (arrest van
30 mei 2013, Jőrös, C‑397/11, EU:C:2013:340, punt 42
).
60
In de tweede plaats heeft de nationale rechter niet de bevoegdheid om de inhoud van de oneerlijke bedingen te herzien, omdat dit er anders toe kan bijdragen dat de afschrikkende werking die voor verkopers daarin besloten ligt dat dergelijke oneerlijke bedingen zonder meer buiten toepassing worden gelaten ten aanzien van de consument, teniet wordt gedaan (zie in die zin arrest van
21 januari 2015, Unicaja Banco en Caixabank, C‑482/13, C‑484/13, C‑485/13 en C‑487/13, EU:C:2015:21, punt 31
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
Uit het voorgaande volgt dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een oneerlijk contractueel beding in beginsel geacht moet worden nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld.
62
Hieruit volgt dat de verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken, buiten toepassing te laten, in beginsel tot een terugbetalingsplicht leidt die overeenkomt met deze zelfde bedragen.
63
Het ontbreken van een dergelijke terugbetalingsplicht zou immers de afschrikkende werking in gevaar kunnen brengen die artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, heeft willen hechten aan de vaststelling dat de bedingen in de tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst, oneerlijk zijn.
64
Volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moeten de lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen „onder de in het nationale recht geldende voorwaarden” de consument niet binden (arrest van
6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 57
).
65
Het feit dat het nationale recht een regelingskader biedt voor de door richtlijn 93/13 aan consumenten geboden bescherming, mag echter niet de omvang en bijgevolg de inhoud van deze bescherming wijzigen en aldus afbreuk doen aan de door de wetgever van de Europese Unie gewenste versterking van de doeltreffendheid van deze bescherming door de vaststelling van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen, zoals ook is aangegeven in de tiende overweging van richtlijn 93/13.
66
Hoewel de lidstaten bijgevolg door middel van hun nationale recht de modaliteiten dienen te bepalen in het kader waarvan kan worden vastgesteld dat een in een overeenkomst opgenomen beding oneerlijk is en in het kader waarvan de concrete juridische gevolgen van deze vaststelling vorm krijgen, neemt dit niet weg dat op basis van een dergelijke vaststelling de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zonder dat oneerlijke beding zou hebben bevonden, moet kunnen worden hersteld, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen.
67
In casu heeft de Tribunal Supremo in zijn arrest van 9 mei 2013, waarnaar de verwijzende rechters verwijzen, geoordeeld dat de vaststelling dat de betrokken bodemrentebedingen oneerlijk zijn, geen gevolgen had voor situaties waarover reeds definitief uitspraak was gedaan in rechterlijke beslissingen met kracht van gewijsde, en evenmin voor betalingen die waren gedaan vóór de uitspraak van dat arrest, en dat derhalve de gevolgen die uit deze vaststelling voortvloeiden, met name het recht van de consument op terugbetaling, op grond van het rechtszekerheidsbeginsel waren beperkt tot de bedragen die na die datum onverschuldigd waren betaald.
68
In dit verband is het juist dat het Hof reeds heeft erkend dat de bescherming van de consument niet absoluut is. In het bijzonder heeft het Hof in deze zin vastgesteld dat het Unierecht een nationale rechter niet gebiedt, nationale procedureregels buiten toepassing te laten die, met name, een beslissing gezag van gewijsde verlenen, ook al zou daardoor een schending van een bepaling, van welke aard dan ook, uit richtlijn 93/13 door deze beslissing kunnen worden opgeheven (zie in die zin arrest van
6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 37
). Hieruit volgt dat de Tribunal Supremo in zijn arrest van 9 mei 2013 kon beslissen dat dit arrest geen gevolgen had voor situaties waarover reeds definitief was beslist bij eerdere rechterlijke uitspraken die kracht van gewijsde hebben verkregen.
69
Daarnaast heeft het Hof reeds geoordeeld dat met het Unierecht verenigbaar is dat in het belang van de rechtszekerheid redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht (arrest van
6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 41
).
70
Evenwel dient de toepassing van een procedureregel, zoals een redelijke verjaringstermijn, te worden onderscheiden van een beperking in de tijd van de gevolgen van een uitlegging van een regel van Unierecht (zie in die zin arrest van
15 april 2010, Barth, C‑542/08, EU:C:2010:193, punt 30
en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dat kader dient in herinnering te worden gebracht dat, gelet op het fundamentele karakter van een algemene eenvormige toepassing van het Unierecht, alleen het Hof kan beslissen over beperkingen in de tijd die voor een door hem gegeven uitlegging hebben te gelden (zie in die zin arrest van
2 februari 1988, Barra e.a., C‑309/85, EU:C:1988:42, punt 13
).
71
De in het nationale recht geldende voorwaarden, waarnaar artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 verwijst, mogen derhalve geen afbreuk doen aan de essentie van het recht dat consumenten aan deze bepaling – zoals uitgelegd in de in de punten 54 tot en met 61 van dit arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof – ontlenen om niet gebonden te zijn aan een beding dat geacht wordt oneerlijk te zijn.
72
De door de Tribunal Supremo in zijn arrest van 9 mei 2013 toegepaste beperking in de tijd van de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de nietigverklaring van de bodemrentebedingen komt erop neer dat op algemene wijze aan elke consument die vóór deze datum een hypotheeklening met een dergelijk beding heeft afgesloten, het recht wordt ontnomen op gehele terugbetaling van de bedragen die hij in de periode vóór 9 mei 2013 op grond van dat beding onverschuldigd aan de bankinstelling heeft betaald.
73
Hieruit volgt dat nationale rechtspraak, zoals die welke volgt uit het arrest van 9 mei 2013, betreffende de beperking in de tijd van de rechtsgevolgen die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 voortvloeien uit de vaststelling dat een contractueel beding oneerlijk is, slechts een beperkte bescherming biedt aan consumenten die vóór de datum van de uitspraak waarin het oneerlijke karakter van dat beding is vastgesteld, een hypotheeklening met een bodemrentebeding hebben afgesloten. Een dergelijke bescherming is bijgevolg onvolledig en ontoereikend en vormt geen geschikt en doeltreffend middel om een einde te maken aan het gebruik van dit soort bedingen, hetgeen in strijd is met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn (zie in die zin arrest van
14 maart 2013, Aziz, C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 60
).
74
Bijgevolg dienen de verwijzende rechters, die voor de beslechting van de hoofdgedingen gebonden zijn aan de door het Hof gegeven uitlegging van het Unierecht, op eigen gezag de door de Tribunal Supremo in het arrest van 9 mei 2013 vastgestelde beperking in de tijd van de gevolgen buiten toepassing te laten, aangezien deze beperking niet verenigbaar is met dit recht (zie in die zin arresten van
5 oktober 2010, Elchinov, C‑173/09, EU:C:2010:581, punten 29‑32
;
19 april 2016, DI, C‑441/14, EU:C:2016:278, punten 33 en 34
;
5 juli 2016, Ognyanov, C‑614/14, EU:C:2016:514, punt 36
, en
8 november 2016, Ognyanov, EU:C:2016:835
, C‑554/14, punten 67‑70).
75
Uit het voorgaande vloeit voort dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit het in rechte vastgestelde oneerlijke karakter, in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn, van een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper, in de tijd wordt beperkt tot enkel de bedragen die na de uitspraak van de beslissing waarbij in rechte het oneerlijke karakter ervan is vastgesteld, met toepassing van dat beding onverschuldigd zijn betaald.