Opmerkingen vooraf
54
Volgens vaste rechtspraak berust het bij richtlijn 93/13 ingevoerde beschermingsstelsel op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan laatstgenoemde beschikt, waardoor hij met de tevoren door de verkoper opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (arrest van
26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia, C‑70/17 en C‑179/17, EU:C:2019:250, punt 49
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55
Gelet op een dergelijke zwakke positie legt richtlijn 93/13 de lidstaten de verplichting op om ervoor te zorgen dat contractuele bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, kunnen worden getoetst teneinde het eventueel oneerlijke karakter ervan te beoordelen. In dit verband staat het aan de nationale rechter om, rekening houdend met de criteria van artikel 3, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 93/13, in het licht van de omstandigheden van het betreffende geval te bepalen of een dergelijk beding voldoet aan de in deze richtlijn gestelde eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie (arrest van
26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia, C‑70/17 en C‑179/17, EU:C:2019:250, punt 50
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56
Richtlijn 93/13 verplicht de lidstaten, gezien de aard en het gewicht van het openbare belang van de bescherming van consumenten – zoals blijkt uit artikel 7, lid 1, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan –, om in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen verkopers en consumenten. Hiertoe dienen de nationale rechters oneerlijke bedingen buiten toepassing te laten opdat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de consument, tenzij de consument zich daartegen verzet [arrest van
10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance, C‑776/19–C‑782/19, EU:C:2021:470, punt 36
en aldaar aangehaalde rechtspraak en in die zin, arrest van
8 september 2022, D.B.P. e.a. (Hypothecair krediet in vreemde valuta), C‑80/21-C‑82/21, EU:C:2022:646, punt 58
en aldaar aangehaalde rechtspraak].
57
Een oneerlijk contractueel beding moet in beginsel geacht worden nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld (arrest van
21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, ECLI:EU:C:2016:980, punt 61
).
58
In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat de verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken, buiten toepassing te laten, in beginsel tot een terugbetalingsplicht leidt die overeenkomt met deze zelfde bedragen. Het ontbreken van een dergelijke terugbetalingsplicht zou immers afbreuk kunnen doen aan de afschrikkende werking die artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, heeft willen hechten aan de vaststelling dat bedingen in de tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst, oneerlijk zijn (zie in die zin arrest van
21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 62 en 63
).
59
Er zij ook aan herinnerd dat volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de lidstaten moeten bepalen dat oneerlijke bedingen „onder de in het nationale recht geldende voorwaarden” de consument niet binden (arrest van
21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, ECLI:EU:C:2016:980, punt 64
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
Dat het nationale recht een regelingskader biedt voor de door richtlijn 93/13 aan consumenten geboden bescherming, mag echter niet de omvang en bijgevolg de inhoud van deze bescherming wijzigen en aldus afbreuk doen aan de door de Uniewetgever gewenste versterking van de doeltreffendheid van deze bescherming door de vaststelling van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen, zoals ook is aangegeven in de tiende overweging van richtlijn 93/13 (arrest van
21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, ECLI:EU:C:2016:980, punt 65
).
61
Hoewel de lidstaten bijgevolg door middel van hun nationale recht de uitvoeringsbepalingen dienen vast te leggen in het kader waarvan kan worden vastgesteld dat een in een overeenkomst opgenomen beding oneerlijk is en in het kader waarvan de concrete juridische gevolgen van deze vaststelling vorm krijgen, neemt dit niet weg dat op basis van een dergelijke vaststelling de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zonder dat oneerlijke beding zou hebben bevonden, moet kunnen worden hersteld, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen (arrest van
21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, ECLI:EU:C:2016:980, punt 66
).
62
In het licht van deze overwegingen moet de prejudiciële vraag worden onderzocht.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
63
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in de context van een hypothecaire kredietovereenkomst die in haar geheel nietig is verklaard omdat deze niet kan voortbestaan na de schrapping van de oneerlijke bedingen, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat:
-
zij in de weg staan aan een rechterlijke uitlegging van het nationale recht volgens welke de consument het recht heeft om van de kredietinstelling een vergoeding te vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van de betaalde maandelijkse termijnen en van de ter uitvoering van die overeenkomst betaalde kosten en de betaling van wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling, en
-
zij in de weg staan aan een rechterlijke uitlegging van het nationale recht volgens welke de kredietinstelling het recht heeft om van de consument een vergoeding te vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van het ter uitvoering van die overeenkomst geleende kapitaal en de betaling van wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling.
64
Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bepaalt richtlijn 93/13 niet uitdrukkelijk de gevolgen van de nietigheid van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument na de schrapping van de daarin opgenomen oneerlijke bedingen. Bijgevolg staat het aan de lidstaten om te bepalen welke gevolgen een dergelijke vaststelling heeft, met dien verstande dat de regels die zij dienaangaande vaststellen verenigbaar moeten zijn met het Unierecht en in het bijzonder met de doelstellingen van die richtlijn.
65
Zoals in punt 57 van het onderhavige arrest is opgemerkt, moet voorts een als „oneerlijk” aangemerkt contractueel beding in beginsel worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben bevonden, wordt hersteld, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen (zie in die zin arrest van
31 maart 2022, Lombard Lízing, C‑472/20, EU:C:2022:242, punten 50 en 55
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66
Aangezien het ontbreken van een dergelijk recht op terugbetaling, zoals blijkt uit de in punt 58 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, afbreuk zou kunnen doen aan de afschrikkende werking die artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, heeft willen hechten aan de vaststelling van het oneerlijke karakter van bedingen in een tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst, moet een soortgelijk recht op terugbetaling worden erkend wanneer het oneerlijke karakter van bedingen van een overeenkomst tussen een consument en een verkoper niet alleen leidt tot nietigheid van die bedingen, maar ook tot nietigheid van die overeenkomst in haar geheel.
67
Bovendien blijkt uit artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan, dat deze richtlijn ook tot doel heeft verkopers te ontmoedigen om gebruik te maken van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten.
68
Hieruit volgt dat de verenigbaarheid, met het Unierecht, van nationale regels die de praktische gevolgen bepalen van de nietigheid van een hypothecaire kredietovereenkomst wegens het bestaan van oneerlijke bedingen, afhangt van de vraag of deze regels, ten eerste, het mogelijk maken om de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder die overeenkomst zou hebben verkeerd, te herstellen en, ten tweede, geen afbreuk te doen aan de door richtlijn 93/13 beoogde afschrikkende werking.
69
Wat in casu in de eerste plaats de mogelijkheid voor een consument betreft om in geval van nietigverklaring van een hypothecaire kredietovereenkomst vorderingen in te stellen die verder gaan dan de terugbetaling van de betaalde maandelijkse termijnen en de in het kader van de uitvoering van die overeenkomst betaalde kosten alsmede, in voorkomend geval, de betaling van wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling, lijkt – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – een dergelijke mogelijkheid geen afbreuk te doen aan de in punt 68 van het onderhavige arrest genoemde doelstellingen.
70
In dit verband staat het aan de verwijzende rechter om in het licht van alle omstandigheden van de bij hem aanhangige zaak te onderzoeken of de relevante nationale regels het mogelijk maken om de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder die overeenkomst zou hebben verkeerd, te herstellen.
71
Wat de door artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 beoogde afschrikkende werking betreft, moet worden opgemerkt dat de in punt 69 van het onderhavige arrest genoemde mogelijkheid ertoe kan bijdragen dat verkopers worden ontmoedigd om oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten op te nemen, aangezien het opnemen van dergelijke bedingen waardoor de overeenkomst in haar geheel nietig is, financiële gevolgen kan hebben die verder gaan dan de terugbetaling van de door de consument betaalde bedragen en, in voorkomend geval, de betaling van vertragingsrente.
72
Hieraan moet worden toegevoegd dat de vaststelling door de bevoegde rechter van maatregelen als bedoeld in punt 69 van het onderhavige arrest, niet kan worden geacht in strijd te zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien daarmee het in richtlijn 93/13 neergelegde verbod op oneerlijke bedingen concreet ten uitvoer wordt gelegd.
73
Verder vereist het evenredigheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van Unierecht is, dat de nationale regeling waarbij dit recht ten uitvoer wordt gelegd, niet verder gaat dan noodzakelijk is voor het bereiken van de gestelde doelen (zie in die zin arresten van
14 maart 2013, Aziz, C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 74
, en
8 december 2022, BTA Baltic Insurance Company, C‑769/21, EU:C:2022:973, punt 34
). Bijgevolg staat het aan de verwijzende rechter om in het licht van alle omstandigheden van het hoofdgeding te beoordelen of en in hoeverre de toewijzing van vorderingen van de consument als bedoeld in punt 69 van het onderhavige arrest, verder gaat dan noodzakelijk is om de in punt 68 van het onderhavige arrest genoemde doelen te bereiken.
74
Hieruit volgt dat in de context van een hypothecaire kredietovereenkomst die in haar geheel nietig is verklaard omdat deze overeenkomst niet kan voortbestaan na de schrapping van de daarin opgenomen oneerlijke bedingen, richtlijn 93/13 niet in de weg staat aan een uitlegging van het nationale recht volgens welke de consument het recht heeft om van de kredietinstelling een vergoeding te vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van de betaalde maandelijkse termijnen en van de ter uitvoering van die overeenkomst betaalde kosten en de betaling van wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling, mits de doelstellingen van richtlijn 93/13 en het evenredigheidsbeginsel worden geëerbiedigd.
75
Wat in de tweede plaats de vorderingen van een verkoper jegens een consument betreft, moet worden opgemerkt dat dergelijke vorderingen, net als de mogelijkheid voor een consument om vorderingen in te stellen die voortvloeien uit de nietigheid van de hypothecaire kredietovereenkomst, slechts kunnen worden aanvaard indien zij geen afbreuk doen aan de in punt 68 van het onderhavige arrest genoemde doelen.
76
Indien aan een kredietinstelling het recht wordt verleend om van de consument een vergoeding te vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van het uit hoofde van de uitvoering van die overeenkomst geleende kapitaal en, in voorkomend geval, de betaling van vertragingsrente, zou dit afbreuk kunnen doen aan de door richtlijn 93/13 beoogde afschrikkende werking, zoals de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
77
Het Hof heeft reeds de gelegenheid gehad om in een andere context te verduidelijken dat indien de nationale rechter de inhoud van oneerlijke bedingen in dergelijke overeenkomsten zou kunnen herzien, de verwezenlijking van het in artikel 7 van richtlijn 93/13 bedoelde langetermijndoel in gevaar zou kunnen komen. Die bevoegdheid zou immers ertoe bijdragen dat de voor verkopers afschrikkende werking die uitgaat van een loutere niet-toepassing van dergelijke oneerlijke bedingen ten aanzien van de consument wordt uitgeschakeld, aangezien deze verkopers in de verleiding zouden blijven om die bedingen te gebruiken in de wetenschap dat ook al mochten deze ongeldig worden verklaard, de overeenkomst niettemin voor zover noodzakelijk door de nationale rechter zou kunnen worden aangevuld en het belang van die verkopers dus gediend zou zijn (arrest van
14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 69
).
78
Evenzo zou een uitlegging van het nationale recht volgens welke de kredietinstelling het recht heeft om van de consument een vergoeding te eisen die verder gaat dan de terugbetaling van het ter uitvoering van die overeenkomst geleende kapitaal en, bijgevolg, een vergoeding te ontvangen voor het gebruik van dat kapitaal door de consument, ertoe bijdragen dat de afschrikkende werking die voor verkopers uitgaat van de nietigverklaring van die overeenkomst wordt uitgeschakeld.
79
Bovendien zou afbreuk worden gedaan aan de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 aan consumenten verleende bescherming indien deze het risico lopen een dergelijke vergoeding te moeten betalen wanneer zij zich beroepen op hun rechten uit hoofde van die richtlijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 61 van zijn conclusie heeft benadrukt, zou een dergelijke uitlegging situaties kunnen doen ontstaan waarin het voor de consument voordeliger is om de uitvoering van de overeenkomst waarin een oneerlijk beding is opgenomen, voort te zetten dan om zijn rechten uit hoofde van die richtlijn uit te oefenen.
80
Aan deze redenering kan niet worden afgedaan door het argument van Bank M. dat, indien verkopers geen vergoeding mogen vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van het ter uitvoering van die overeenkomst geleende kapitaal en, in voorkomend geval, de betaling van vertragingsrente, de consument een „gratis” lening zou krijgen. Tevens faalt in dit verband het betoog van Bank M. en de Przewodniczący Komisji Nadzoru Finansowego (president van de commissie voor financieel toezicht, Polen) dat de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou komen indien de banken een dergelijke vergoeding niet van consumenten mogen eisen.
81
In dit verband kan ten eerste overeenkomstig het beginsel nemo auditur propriam turpitudinem allegans niet worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag, noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt.
82
Zoals de advocaat-generaal in punt 58 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is de eventuele nietigverklaring van de hypothecaire kredietovereenkomst in casu een gevolg van het gebruik van oneerlijke bedingen door Bank M. Derhalve kan zij niet worden gecompenseerd voor gederfde winst die vergelijkbaar is met de winst die zij met die overeenkomst hoopte te behalen.
83
Ten tweede heeft de advocaat-generaal in punt 63 van zijn conclusie terecht gesteld dat het argument betreffende de stabiliteit van de financiële markten geen hout snijdt in het kader van de uitlegging van richtlijn 93/13, die tot doel heeft de consument te beschermen. Bovendien kan niet worden aanvaard dat verkopers de door richtlijn 93/13 nagestreefde doelstellingen kunnen omzeilen met het argument dat de stabiliteit van de financiële markten moet worden gewaarborgd. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van de banken om hun activiteiten in overeenstemming met deze richtlijn te organiseren.
84
In de context van een hypothecaire kredietovereenkomst die in haar geheel nietig is verklaard omdat deze niet kan voortbestaan na de schrapping van de daarin opgenomen oneerlijke bedingen, staat richtlijn 93/13 bijgevolg in de weg aan een uitlegging van het nationale recht volgens welke de kredietinstelling het recht heeft om van de consument een vergoeding te vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van het ter uitvoering van die overeenkomst geleende kapitaal en de betaling van wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling.
85
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat in de context van een hypothecaire kredietovereenkomst die in haar geheel nietig is verklaard omdat deze niet kan voortbestaan na de schrapping van de oneerlijke bedingen, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat:
-
zij niet in de weg staan aan een rechterlijke uitlegging van het nationale recht volgens welke de consument het recht heeft om van de kredietinstelling een vergoeding te vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van de betaalde maandelijkse termijnen en van de ter uitvoering van die overeenkomst betaalde kosten en de betaling van wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling, mits de doelstellingen van richtlijn 93/13 en het evenredigheidsbeginsel worden geëerbiedigd, en
-
zij in de weg staan aan een rechterlijke uitlegging van het nationale recht volgens welke de kredietinstelling het recht heeft om van de consument een vergoeding te vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van het ter uitvoering van die overeenkomst geleende kapitaal en de betaling van wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling.