Rechtbank Rotterdam, 19-04-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4046, 10866726

Inhoudsindicatie

Huurachterstand. Ambtshalve toetsing: afwijzen BIK en proceskosten.

Gegevens

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak19-04-2024
Datum publicatie06-05-2024
ECLIECLI:NL:RBROT:2024:4046
Zaaknummer10866726
Bijzondere kenmerkenEerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied Verbintenissenrecht
Overige publicaties

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 10866726 CV EXPL 24-576

datum uitspraak: 19 april 2024

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

Stichting De Leeuw van Putten,

vestigingsplaats: Spijkenisse,

eiser,

gemachtigde: GGN,

tegen

[gedaagde 1] ,

woonplaats: Spijkenisse,

gedaagde,

[gedaagde 2] ,

woonplaats: Spijkenisse,

gedaagde.

De partijen worden hierna ‘De Leeuw’ en ‘gedaagden’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

-

de dagvaarding van 4 januari 2024, met bijlagen;

-

het antwoord van 9 januari 2024;

-

de akte van 7 februari 2024 van De Leeuw, met bijlagen.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

Gedaagden huren een woning van De Leeuw en hebben de huur niet op tijd betaald. De Leeuw wil dat gedaagden de huurachterstand en de lopende huur betalen. De Leeuw wil ook dat de huurovereenkomst eindigt en dat gedaagden vertrekken uit de woning.

2.2.

Gedaagden moeten de huurachterstand en de lopende huur inderdaad betalen. Voor de achterstand is een betalingsregeling afgesproken. Als gedaagden zich niet houden aan die regeling of tijdens de aflosperiode de huur niet op tijd betalen, eindigt de huurovereenkomst en moeten gedaagden de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.

Gedaagden moeten de totale vordering van € 2.764,10 betalen

2.3.

Gedaagden hebben niet betwist dat de schuld van gedaagden aan De Leeuw op 7 februari 2024 € 2.764,10 was. Dit bedrag is gebaseerd op de huur tot en met de maand februari. Gedaagden worden veroordeeld om dit bedrag aan De Leeuw te betalen.

De partijen hebben een betalingsregeling afgesproken

2.4.

De partijen hebben een betalingsregeling afgesproken. Gedaagden betalen vanaf de maand februari maandelijks € 150,00 af, bovenop de lopende huurprijs. De eerste betaling is tijdig gedaan en is verwerkt in het onder 2.3 genoemde bedrag. Bij het missen van één termijn zal het restant van de vordering ineens geheel opeisbaar zijn en mag De Leeuw overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Dat betekent dat gedaagden de huurachterstand niet in één keer aan De Leeuw hoeven te betalen, zolang zij zich aan de regeling houden en vanaf vandaag de huur op tijd betalen (telkens voor de eerste van de maand).

Ontbinding en ontruiming als gedaagden zich niet aan de betalingsregeling houden of tijdens de aflosperiode de huur niet op tijd betalen

2.5.

De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is. Meestal zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.1 Gelet op alle omstandigheden in deze zaak wordt de gevraagde ontbinding toegewezen als gedaagden zich niet houden aan de betalingsregeling, of tijdens de aflosperiode de huur niet op tijd betalen. Gedaagden moeten dan ook rente betalen over het totale bedrag dat op dat moment open staat.

2.6.

Als de huurovereenkomst eindigt, moeten gedaagden de woning met al hun spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na de ontbinding. Tot en met de dag van de ontruiming moeten gedaagden dan een gebruiksvergoeding van € 582,82 per maand betalen (artikel 7:225 BW). De Leeuw heeft niet uitgelegd waarom gedaagden een vergoeding moeten betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.

Gedaagden hoeven de buitengerechtelijke kosten en proceskosten niet te betalen

2.7.

De bepaling over de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten (artikel 9.9 van de huurovereenkomst) is oneerlijk. De bepaling wijkt namelijk in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW). Een bepaling die de verhuurder recht geeft op (buiten)gerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de volgende voorwaarden. De bepaling mag de verhuurder geen recht geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Wel is toegestaan dat in de bepaling geen bedragen worden genoemd of als voor de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de wet. De bepaling moet ook niet de indruk wekken dat de verhuurder eerder dan op grond van de wet recht krijgt op een vergoeding. Als er iets staat over het moment waarop de kosten verschuldigd worden, dan moet uit de bepaling dus blijken dat de consument die vergoeding pas verschuldigd wordt nadat hij nog een kans heeft gekregen om binnen veertien dagen alsnog te betalen. Aan deze voorwaarden is hier niet voldaan.

2.8.

Omdat de bepaling over de kosten oneerlijk is, vernietigt de kantonrechter deze. De kantonrechter mag een oneerlijke bepaling niet wijzigen in een eerlijke bepaling en mag ook niet in plaats daarvan aanvullend recht toepassen.2 De kantonrechter mag dan ook niet op grond van de wet de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten toewijzen, omdat de betreffende wetsbepalingen aanvullend recht zijn.3

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

2.9.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat De Leeuw dat eist en gedaagden daar niet op hebben gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, om aan De Leeuw te betalen € 2.764,10;

3.2.

bepaalt dat De Leeuw de hiervoor genoemde bedragen niet ineens kan opeisen:

-

i) indien gedaagden in maart en april 2024 voor de eerste dag van elke maand een bedrag van € 150 hebben afgelost, en

-

ii) zolang gedaagden vanaf mei 2024 elke maand voor de eerste dag van de maand € 150,00 aflossen, en

-

iii) de huur voor maart en april op tijd hebben betaald en de huur voor iedere daaropvolgende maand op tijd betalen,

totdat het onder 3.1 genoemde bedrag geheel is voldaan;

3.3.

verklaart dit vonnis, met inbegrip van de veroordelingen onder 3.5 – 3.7, uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst, onverminderd het bepaalde onder 3.5 – 3.7, al het andere af;

en, als gedaagden een maandelijkse aflossingstermijn of de huur tijdens de aflosperiode niet of te laat betalen:

3.5.

bepaalt dat gedaagden het bedrag dat op dat moment open staat direct in één keer aan De Leeuw moeten betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf dat moment tot de dag dat volledig is betaald;

3.6.

ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen met ingang van de dag nadat gedaagden de maandelijkse termijn of de huur tijdens de aflosperiode niet op tijd hebben betaald en veroordeelt gedaagden om binnen 14 dagen na die datum de woning aan de [adres] te Spijkenisse te ontruimen en de sleutels bij De Leeuw in te leveren;

3.7.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, aan De Leeuw te betalen € 582,82 per maand, met de verhoging die is toegestaan, met ingang van de maand dat gedaagden zich niet aan hun aflossingsverplichting houden tot en met de dag dat de woning is ontruimd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.

53955

Voetnoten

1

Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810

2

Hof van Justitie 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341 (Asbeek Brusse) en Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia)

3

Voor wat betreft de proceskosten blijkt dit uit HR 20-12-1934 en ECLI:NL:HR:1934:321, HR 12-06-1936, ECLI:NL:HR:1936:100.