Tweede vraag
42
Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die, in het kader van de begroting van de kosten die verband houden met een beroep betreffende het oneerlijke karakter van een contractueel beding, voorziet in een maximumbedrag voor de advocatenhonoraria die een ten gronde in het gelijk gestelde consument op de in de kosten veroordeelde verkoper kan verhalen.
43
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat een oneerlijk verklaard contractueel beding in beginsel geacht moet worden nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld (arrest van
21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 61
).
44
Opgemerkt zij dat, in het hoofdgeding, het contractuele beding betreffende de terugbetaling van het krediet in vreemde valuta, waarvan de betrokken consumenten de nietigverklaring vorderden, oneerlijk is verklaard en dat de betrokken bank ertoe is veroordeeld om het uitstaande saldo te herberekenen aan de hand van het bedrag dat de consumenten reeds zouden hebben terugbetaald indien de betaalde maandelijkse aflossingen in euro en niet in vreemde valuta zouden zijn voldaan. Gelet op het krediet dat de betrokken consumenten hadden afgesloten, kunnen zij, in de zin van de rechtspraak van het Hof, dus worden geacht zich in de situatie rechtens en feitelijk te bevinden waarin zij zonder dat oneerlijke beding zouden hebben verkeerd.
45
In casu vraagt de verwijzende rechter zich echter af of de toepasselijke nationale regeling wat betreft de begroting van de proceskosten – die het voorwerp is van een accessoire procedure – wel in overeenstemming is met artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13.
46
In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie heeft aangegeven, de regels betreffende de begroting van de proceskosten in civiele vorderingen procedureregels zijn waarin richtlijn 93/13 niet voorziet met betrekking tot de kosten in verband met een procedure die ertoe strekt vast te doen stellen dat een contractueel beding oneerlijk is.
47
Het Hof heeft geoordeeld dat, bij ontbreken van specifieke Unieregelgeving ter zake, de nadere uitvoeringsregels voor de in artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 geboden consumentenbescherming op grond van het beginsel van procesautonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde zijn van deze laatste. Die nadere regels mogen evenwel niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Bijgevolg valt de verdeling van de kosten van een gerechtelijke procedure bij de nationale rechterlijke instanties onder de procesautonomie van de lidstaten, op voorwaarde dat de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in acht worden genomen (arrest van
16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punten 83 en 95
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, dat als enige aan de orde is in het hoofdgeding, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de vraag of een nationale procedurele bepaling het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het Unierecht toe te passen, steeds moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die bepaling in de gehele procedure voor de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure. Daartoe moet zo nodig rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arrest van
26 juni 2019, Addiko Bank, C‑407/18, EU:C:2019:537, punt 48
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
In casu verleent richtlijn 93/13 de consument het recht om zich tot een rechter te wenden om het oneerlijke karakter van een contractueel beding te laten vaststellen en dit beding buiten toepassing te laten verklaren. Het Hof heeft geoordeeld dat indien de kostenverdeling in een dergelijke procedure enkel afhangt van de bedragen die onterecht werden betaald en waarvan terugbetaling wordt gelast, dit de consument, gezien de kosten van een vordering in rechte, kan ontmoedigen dat recht uit te oefenen. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling waarbij een deel van de proceskosten voor rekening van de consument kan komen, en dit naargelang van de hoogte van de onterecht betaalde bedragen die hem wegens de nietigverklaring van een oneerlijk contractueel beding moeten worden terugbetaald, aangezien die regeling een aanzienlijk obstakel vormt dat consumenten kan ontmoedigen het hun door deze richtlijn verleende recht op een effectieve rechterlijke toetsing van het potentieel oneerlijke karakter van contractuele bedingen uit te oefenen (arrest van
16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punten 98 en 99
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Deze rechtssituatie moet echter worden onderscheiden van die waarin, zoals in het hoofdgeding, de kosten uitsluitend worden gedragen door de verkoper die een overeenkomst heeft gesloten met een consument wiens vordering tot nietigverklaring van een oneerlijk beding is toegewezen, maar met een door de waarde van de vordering bepaalde beperking van het maximumbedrag van de kosten die deze consument van zijn medecontractant vergoed kan krijgen.
51
Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verzet het doeltreffendheidsbeginsel zich er in het algemeen niet tegen dat een consument bepaalde gerechtskosten draagt wanneer hij beroep instelt strekkende tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding. Bovendien staat buiten kijf dat advocatenhonoraria gewoonlijk een aanzienlijk deel vormen van de kosten die door de consument in het kader van een gerechtelijke procedure worden gemaakt (zie in die zin arrest van
28 juli 2016, United Video Properties, C‑57/15, EU:C:2016:611, punt 22
).
52
Hieruit volgt dat het in beginsel niet in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel dat de in het gelijk gestelde consument niet het volledige bedrag van de door hem betaalde advocatenhonoraria van de in het ongelijk gestelde partij vergoed krijgt.
53
Aangezien de consument de advocaat aan wie hij zijn verdediging toevertrouwt zelf heeft gekozen en met deze advocaat het honorarium is overeengekomen waarop deze recht zou hebben, kan immers niet worden uitgesloten dat deze gerechtskosten buitensporig hoog blijken te zijn doordat de in het gelijk gestelde partij en haar advocaat ongebruikelijk hoge honoraria zijn overeengekomen. In dit verband heeft het Hof erkend dat een regeling met forfaitaire tarieven voor de vergoeding van honoraria van advocaten in beginsel gerechtvaardigd zou kunnen zijn, mits zij ertoe strekt de redelijkheid van de te vergoeden kosten te verzekeren, in het licht van factoren zoals het voorwerp van het geding, de waarde ervan of het werk dat nodig is voor de verdediging van het betrokken recht (zie in die zin arrest van
28 juli 2016, United Video Properties, C‑57/15, EU:C:2016:611, punt 25
).
54
In dit verband moet echter worden benadrukt dat procedurele regelingen die te hoge kosten met zich meebrengen voor de consument ertoe kunnen leiden dat hij ervan wordt weerhouden om een rechtsvordering in te stellen – gelet op de kostprijs van een gerechtelijke procedure in vergelijking met het bedrag van de betwiste schuld – of om zijn rechten op een nuttige manier te verdedigen voor de door de verkoper aangezochte rechterlijke instantie (zie in die zin arresten van
13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 69
, en
3 april 2019, Aqua Med, C‑266/18, EU:C:2019:282, punt 54
).
55
De gerechtskosten die de in het gelijk gestelde consument vergoed moet kunnen krijgen van de in het ongelijk gestelde partij, moeten derhalve in verhouding tot de totale proceskosten hoog genoeg zijn opdat deze consument niet wordt ontmoedigd om gebruik te maken van de rechtsbescherming die hem door richtlijn 93/13 wordt geboden.
56
Het staat dus aan de lidstaten om – indien zij in het kader van hun procedurele autonomie voorzien in een regeling voor de vergoeding van advocatenhonoraria die het bedrag dat de in de kosten veroordeelde beroepsbeoefenaar moet betalen beperkt – een maximumbedrag vast te stellen dat de consument in staat stelt een redelijk bedrag te verhalen dat evenredig is aan de kosten van een gerechtelijke procedure betreffende het oneerlijke karakter van een contractueel beding.
57
Het is dus een zaak van de nationale rechter om na te gaan of dit in het hoofdgeding het geval is.
58
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die, in het kader van de begroting van de kosten die verband houden met een beroep betreffende het oneerlijke karakter van een contractueel beding, voorziet in een maximumbedrag voor de advocatenhonoraria die een ten gronde in het gelijk gestelde consument op de in de kosten veroordeelde verkoper kan verhalen, mits de consument met dat maximumbedrag een redelijke vergoeding ontvangt die evenredig is aan de kosten die hij objectief heeft moeten maken om een dergelijke vordering in te stellen.
Eerste vraag
59
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de waarde van de vordering, die als grondslag dient voor de berekening van de kosten die de in het kader van een beroep betreffende een oneerlijk contractueel beding in het gelijk gestelde consument kan verhalen, moet worden bepaald in het verzoekschrift of, bij gebreke daarvan, in die regeling wordt vastgesteld, zonder dat die waarde daarna nog kan worden gewijzigd.
60
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat volgens het dossier waarover het Hof beschikt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling bepaalt dat het bedrag aan met name advocatenhonoraria dat de in de kosten veroordeelde partij moet vergoeden, niet meer kan bedragen dan een derde van de waarde van de vordering. Volgens artikel 253 LEC moet deze waarde worden vermeld in het inleidend verzoekschrift. Bovendien volgt uit artikel 251 LEC dat de vordering van een geldbedrag waarvan de waarde niet kan worden vastgesteld, wordt beschouwd als een vordering van onbepaalde waarde. Tot slot bepaalt artikel 394, lid 3, LEC dat, uitsluitend met het oog op de berekening van het bedrag dat de in de kosten veroordeelde partij mogelijk als vergoeding van advocaten moet betalen, de vorderingen waarvan het bedrag niet kan worden geraamd, op 18 000 EUR worden gewaardeerd, tenzij de rechter wegens de complexiteit van de zaak anders bepaalt.
61
Wat deze laatste bepaling betreft, moet dus worden opgemerkt dat de waarde van de vordering niet star vastligt, aangezien de griffier van de bevoegde rechter en de uiteindelijk met de begroting van de kosten belaste rechter deze waarde wegens de complexiteit van de betrokken zaak kunnen wijzigen. In dit verband blijkt uit de gegevens in de verwijzingsbeslissing dat verzoekers in het hoofdgeding in hun inleidend verzoekschrift weliswaar niet hadden bepaald wat de waarde van de vordering was, maar dat deze waarde nadien in de accessoire procedure voor de begroting van de kosten is vastgesteld op 30 000 EUR.
62
In de tweede plaats zij opgemerkt dat, zoals reeds in punt 48 hierboven in herinnering is gebracht, de bescherming van de rechten die de consument aan richtlijn 93/13 ontleent, wordt beoordeeld in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en de eerbiediging van dat beginsel door de lidstaten met name wordt onderzocht aan de hand van het rechtszekerheidsbeginsel.
63
De bepaling van de waarde van de vordering vanaf de indiening van het inleidend verzoekschrift strookt met het rechtszekerheidsbeginsel omdat de partijen bij de procedure daardoor vanaf de inleiding van de procedure kennis kunnen nemen van de potentiële economische kosten van het geschil, zoals de advocaat-generaal in punt 76 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
64
Wat betreft het bedrag van de kosten aan advocatenhonoraria waarvan de consument vergoeding van de in het ongelijk gestelde partij kan vorderen, is het niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel dat de nationale regeling op grond van het rechtszekerheidsbeginsel bepaalt dat de waarde van de vordering niet in de loop van de gerechtelijke procedure kan worden gewijzigd, aangezien er aan het einde van de procedure voor moet worden gezorgd dat de door de consument gemaakte kosten daadwerkelijk worden vergoed, rekening houdend met het bedrag aan honoraria dat hij gelet op de aan de vordering toegekende waarde op de in de kosten veroordeelde verkoper kan verhalen.
65
In de punten 62 en 64 van dit arrest is in dat verband reeds beklemtoond dat de door richtlijn 93/13 nagestreefde bescherming haar volle werking moet ontplooien door te waarborgen dat de consument van zijn kosten een redelijk bedrag vergoed krijgt dat evenredig is aan de advocaatkosten in een gerechtelijke procedure tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding. Het is dus de taak van de nationale rechter die in laatste instantie belast is met de begroting van de proceskosten om zich ervan te vergewissen dat de betrokken nationale regeling het de consument niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om zijn uit deze richtlijn voortvloeiende rechten uit te oefenen.
66
In casu lijkt het feit dat de waarde van de vordering bij de begroting van de kosten is vastgesteld op 30 000 EUR erop te wijzen dat de griffier van de bevoegde rechterlijke instantie, onder toezicht van de in laatste instantie bevoegde rechter, over de nodige beoordelingsmarge beschikt om de waarde van de betrokken vordering te beoordelen met inachtneming van het wettelijke maximumbedrag van de verhaalbare kosten dat op een derde van die waarde is vastgelegd. Het staat aan de nationale rechter die in laatste instantie bevoegd is voor de begroting van de kosten om er zich bij zijn berekeningen van te vergewissen dat de kosten die gelet op dit wettelijke maximumbedrag daadwerkelijk worden vergoed, overeenstemmen met een redelijk bedrag dat evenredig is aan de advocatenkosten die de consument objectief gezien heeft moeten maken om de betrokken procedure in te stellen.
67
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de waarde van de vordering, die als grondslag dient voor de berekening van de kosten die de in het kader van een beroep betreffende een oneerlijk contractueel beding in het gelijk gestelde consument kan verhalen, moet worden bepaald in het verzoekschrift of, bij gebreke daarvan, bij die regeling wordt vastgesteld, zonder dat dat gegeven daarna kan worden gewijzigd, mits de in laatste instantie met de begroting van de kosten belaste rechter vrij blijft om de reële waarde van de vordering voor de consument te bepalen en er daarbij voor zorgt dat deze consument aanspraak kan maken op de vergoeding van een redelijk bedrag dat evenredig is aan de kosten die hij objectief gezien moest maken om een dergelijke procedure in te stellen.