Ten gronde
35
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 alsook artikel 2, onder b), artikel 3, leden 1 en 2, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat een luchtvaartmaatschappij, ter betwisting van de bevoegdheid van een rechter om kennis te nemen van een tegen haar gerichte vordering tot compensatie op grond van verordening nr. 261/2004, een forumkeuzebeding in een door haar met een passagier gesloten vervoerovereenkomst kan tegenwerpen aan een incassobureau waaraan de passagier zijn vordering heeft overgedragen.
36
Voor de beantwoording van deze vraag moet worden vastgesteld onder welke voorwaarden een dergelijk forumkeuzebeding het incassobureau waaraan de passagier zijn vordering heeft overgedragen, kan binden.
37
Hoewel de twijfel van de verwijzende rechter over het in het hoofdgeding aan de orde zijnde forumkeuzebeding betrekking heeft op zowel richtlijn 93/13 als verordening nr. 1215/2012, moet de gestelde vraag – aangezien de juridische regeling voor dat type beding in artikel 25 van die verordening is vastgelegd – allereerst in het licht van dat artikel worden onderzocht.
38
Volgens vaste rechtspraak moet het begrip forumkeuzebeding worden uitgelegd als een autonoom Unierechtelijk begrip en moet het autonomiebeginsel dat aan artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 ten grondslag ligt, in volle omvang worden toegepast (zie in die zin arresten van
10 maart 1992, Powell Duffryn, C‑214/89, EU:C:1992:115, punt 14
;
9 december 2003, Gasser, C‑116/02, EU:C:2003:657, punt 51
en aldaar aangehaalde rechtspraak, en
7 februari 2013, Refcomp, C‑543/10, EU:C:2013:62, punten 22 en 40
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
In het bijzonder kan het feit dat de betrokken overeenkomst online is gesloten als zodanig niet afdoen aan de geldigheid van een dergelijk beding, mits wordt voldaan aan de in de rechtspraak van het Hof geformuleerde voorwaarden met betrekking tot onder meer de registratie van de tekst waarin dat beding is vastgelegd (zie in die zin arrest van
21 mei 2015, El Majdoub, C‑322/14, EU:C:2015:334, punt 40
).
40
Voorts laat artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 in het midden of een forumkeuzebeding buiten de kring van partijen bij een overeenkomst kan worden gecedeerd aan een derde, die partij is bij een latere overeenkomst en in alle of een deel van de rechten en verplichtingen van een van de partijen bij de oorspronkelijke overeenkomst treedt (arresten van
7 februari 2013, Refcomp, C‑543/10, EU:C:2013:62, punt 25
, en
20 april 2016, Profit Investment SIM, C‑366/13, EU:C:2016:282, punt 23
).
41
De aangezochte rechter moet dus in limine litis nagaan of het forumkeuzebeding daadwerkelijk het voorwerp is geweest van wilsovereenstemming tussen partijen, die duidelijk en nauwkeurig tot uiting moet komen, waarbij de vormvereisten van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 er in dat verband toe strekken te waarborgen dat de wilsovereenstemming inderdaad vaststaat (zie in die zin arresten van
7 februari 2013, Refcomp, C‑543/10, EU:C:2013:62, punt 27
en aldaar aangehaalde rechtspraak, en
8 maart 2018, Saey Home & Garden, C‑64/17, EU:C:2018:173, punt 25
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Hieruit volgt dat een forumkeuzebeding in een overeenkomst in beginsel enkel rechtsgevolgen kan hebben in de betrekkingen tussen de partijen die met het sluiten van deze overeenkomst hebben ingestemd (arresten van
7 februari 2013, Refcomp, C‑543/10, EU:C:2013:62, punt 29
, en
28 juni 2017, Leventis en Vafeias, C‑436/16, EU:C:2017:497, punt 35
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
In de onderhavige zaak wordt het in het hoofdgeding aan de orde zijnde forumkeuzebeding niet tegengeworpen aan een partij bij de overeenkomst waarin het is opgenomen, maar aan een derde die geen partij was bij die overeenkomst.
44
Het is juist dat noch Passenger Rights noch DelayFix, de rechtsopvolger van eerstgenoemde, ermee heeft ingestemd om door een forumkeuzebeding te zijn verbonden met Ryanair, maar evenmin heeft deze luchtvaartmaatschappij ermee ingestemd om door een dergelijk beding met dat incassobureau te zijn verbonden.
45
Bovendien hebben noch de partijen in het hoofdgeding noch de verwijzende rechter elementen of aanwijzingen aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat de partijen in een van de vormen bedoeld in artikel 25, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 1215/2012 een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht hebben gesloten met daarin een forumkeuzebeding, zoals het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is.
46
Uit het voorgaande volgt dus dat een luchtvaartmaatschappij, ter betwisting van de bevoegdheid van een rechter om kennis te nemen van een tegen haar gerichte vordering tot compensatie op grond van verordening nr. 261/2004, een forumkeuzebeding in een door haar met de passagier gesloten vervoerovereenkomst in beginsel niet kan tegenwerpen aan een incassobureau waaraan de passagier zijn vordering heeft overgedragen.
47
Enkel wanneer de derde overeenkomstig het ten gronde toepasselijke nationale recht in alle rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke contractpartij is getreden, kan een forumkeuzebeding waarmee die derde niet heeft ingestemd hem niettemin binden (zie in die zin arrest van
21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 65
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Voor de beantwoording van de vraag van de verwijzende rechter moet eveneens worden vastgesteld wat de voorwaarden zijn voor de geldigheid van een dergelijk beding.
49
Artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 bepaalt dat de in het forumkeuzebeding aangewezen gerechten bevoegd zijn, tenzij de overeenkomst „krachtens het recht van die lidstaat” nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. De Uniewetgever heeft dus bepaald dat de geldigheid van een forumkeuzebeding wordt beoordeeld op grond van de wetgeving van de staat waarvan de gerechten in dat beding zijn aangewezen.
50
In casu moet de verwijzende rechter, wanneer hij de geldigheid van het forumkeuzebeding onderzoekt, dit dan ook doen in het licht van de wetgeving van de staat waarvan de gerechten in dat beding zijn aangewezen, namelijk in het licht van het Ierse recht.
51
Voorts dient de rechter bij wie een geding – zoals het hoofdgeding – aanhangig is de wetgeving van de staat waarvan de gerechten in dat beding zijn aangewezen, toe te passen, waarbij hij deze wetgeving conform het Unierecht – met name richtlijn 93/13 – uitlegt (zie in die zin arresten van
21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 79
, en
17 mei 2018, Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen, C‑147/16, EU:C:2018:320, punt 41
).
52
Dienaangaande zij er in de eerste plaats op gewezen dat het Hof met betrekking tot de relatie tussen richtlijn 93/13 en de rechten van luchtreizigers zoals die welke voortvloeien uit verordening nr. 261/2004 heeft geoordeeld dat richtlijn 93/13 een algemene regeling ter bescherming van de consument vormt, die geldt voor alle sectoren van de economie, met inbegrip van de luchtvaartsector (zie in die zin arrest van
6 juli 2017, Air Berlin, C‑290/16, EU:C:2017:523, punt 44
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53
In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het Hof in vergelijkbare omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin sprake was van cessie van vorderingen aan een incassobureau, met betrekking tot richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66) heeft geoordeeld dat het feit dat de gedingen in die zaken alleen tussen verkopers werden gevoerd, niet in de weg stond aan de toepassing van een instrument van het consumentenrecht van de Unie, aangezien de werkingssfeer van deze richtlijn niet afhangt van de identiteit van de partijen bij het betrokken geschil maar van de hoedanigheid van de partijen bij de overeenkomst (zie in die zin arrest van
11 september 2019, Lexitor, C‑383/18, EU:C:2019:702, punt 20
).
54
Deze rechtspraak kan in het kader van de toepassing van richtlijn 93/13 worden toegepast.
55
Artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 bepalen namelijk dat deze richtlijn van toepassing is op bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument waarover niet afzonderlijk is onderhandeld [arresten van
7 november 2019, Profi Credit Polska, C‑419/18 en C‑483/18, EU:C:2019:930, punt 51
en aldaar aangehaalde rechtspraak, en
10 september 2020, A (Onderverhuur van een sociale huurwoning), C‑738/19, EU:C:2020:687, punt 34
].
56
In casu is de vervoerovereenkomst waarop de door DelayFix geldend gemaakte vordering is gebaseerd, oorspronkelijk gesloten tussen een verkoper – namelijk de luchtvaartmaatschappij – en een passagier, en wijst niets erop dat laatstgenoemde zijn vliegticket voor andere dan particuliere doeleinden heeft gekocht.
57
In de derde plaats zij eraan herinnerd dat een beding volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 als oneerlijk wordt beschouwd wanneer het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de betrokken overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
58
Dienaangaande heeft het Hof meermaals geoordeeld dat een forumkeuzebeding dat is opgenomen in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld en waarbij de rechter van de plaats van vestiging van de verkoper bij uitsluiting bevoegd wordt verklaard, moet worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, aangezien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (zie in die zin arresten van
27 juni 2000, Océano Grupo Editorial en Salvat Editores, C‑240/98–C‑244/98, EU:C:2000:346
, punt 24,
4 juni 2009, Pannon GSM, C‑243/08, EU:C:2009:350, punt 40
, en
9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C‑137/08, EU:C:2010:659, punt 53
).
59
Een dergelijk beding valt namelijk in de categorie bedingen die tot doel of tot gevolg hebben het indienen van een beroep te beletten of te belemmeren, naar welke categorie wordt verwezen in punt 1, onder q), van de bijlage van die richtlijn (arresten van
27 juni 2000, Océano Grupo Editorial en Salvat Editores, C‑240/98–C‑244/98, EU:C:2000:346, punt 22
;
4 juni 2009, Pannon GSM, C‑243/08, EU:C:2009:350, punt 41
, en
9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C‑137/08, EU:C:2010:659, punt 54
).
60
Volgens artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 worden in dit verband voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van die overeenkomst in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de diensten waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft.
61
Het staat dus aan de nationale rechter bij wie een geding zoals het hoofdgeding aanhangig is om met toepassing van de wetgeving van de staat waarvan de gerechten in een forumkeuzebeding zijn aangewezen, en door uitlegging van deze wetgeving conform de vereisten van richtlijn 93/13, de rechtsgevolgen van het mogelijk oneerlijke karakter van een dergelijk beding vast te stellen, gelet op het feit dat uit de formulering van artikel 6, lid 1, van die richtlijn voortvloeit dat de nationale rechters een oneerlijk beding in een overeenkomst buiten toepassing moeten laten, zodat het geen bindende gevolgen heeft.
62
Ten slotte moet erop worden gewezen dat volgens vaste rechtspraak op grond van artikel 7, punt 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012 voor rechtstreekse vluchten zowel de plaats van vertrek als de plaats van aankomst van het vliegtuig gelijkelijk moeten worden beschouwd als de plaatsen waar de diensten die het voorwerp van een luchtvervoerovereenkomst uitmaken, hoofdzakelijk worden verstrekt, zodat degene die op grond van verordening nr. 261/2004 een vordering tot compensatie instelt, de keuze heeft om die vordering in te stellen bij de rechter in wiens rechtsgebied hetzij de plaats van vertrek hetzij de plaats van aankomst van het vliegtuig is gelegen, zoals deze plaatsen in die overeenkomst zijn overeengekomen (zie in die zin arrest van
9 juli 2009, Rehder, C‑204/08, EU:C:2009:439, punt 47
, en beschikking van
13 februari 2020, flightright, C‑606/19, EU:C:2020:101, punt 26
).
63
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een luchtvaartmaatschappij, ter betwisting van de bevoegdheid van een rechter om kennis te nemen van een tegen haar gerichte vordering tot compensatie op grond van verordening nr. 261/2004, een forumkeuzebeding in een door haar met de passagier gesloten vervoerovereenkomst niet kan tegenwerpen aan een incassobureau waaraan de passagier zijn vordering heeft overgedragen, tenzij dat incassobureau volgens de wetgeving van de staat waarvan de gerechten in dat beding zijn aangewezen in alle rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke contractpartij is getreden, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan. In voorkomend geval moet een dergelijk beding dat in een overeenkomst tussen een consument, namelijk de luchtreiziger, en een verkoper, namelijk de luchtvaartmaatschappij, is opgenomen zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld en waarbij de rechter van de plaats van vestiging van de verkoper bij uitsluiting bevoegd wordt verklaard, worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13.