Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

[Tekst geldig vanaf 01-07-2025 tot 01-01-2026]

Artikel 3

In zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid, met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien:

  1. hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft,

  2. het verzoek betrekking heeft op een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding ten aanzien waarvan de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, of

  3. de zaak anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is.

01-10-1985

Artikel 4

2.

Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, nietigheid, nietigverklaring of geldigheid van huwelijken, dan heeft hij, voorzover de in het eerste lid genoemde verordening daarop niet van toepassing is en onverminderd artikel 1, tevens rechtsmacht tot het treffen van voorlopige en bewarende maatregelen voorzover die verband houden met echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, nietigverklaring, alsmede nietigheid en geldigheid van huwelijken.

3.

Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, nietigheid, nietigverklaring of geldigheid van huwelijken, dan heeft hij, voorzover de in het eerste lid genoemde verordening daarop niet van toepassing is en onverminderd artikel 1, tevens rechtsmacht ter zake van daarmee verband houdende nevenvoorzieningen, met dien verstande

  1. dat met betrekking tot de voorzieningen als bedoeld in artikel 827, eerste lid, onder d en f, de Nederlandse rechter uitsluitend rechtsmacht heeft als de woning in Nederland is gelegen, en

  2. dat met betrekking tot verzoeken tot regeling van het gezag en het omgangsrecht de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart indien hij zich, wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen.

01-01-1992
01-04-1991
01-01-1986
Stb 1981, 337
15442
01-10-1985
01-01-1983
Stb 1980, 233
15943
08-07-1981
Stb 1981, 330
16032
29-07-1972
29-06-1971
01-01-1970
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
16-04-1953
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25
01-01-1935
Stb 1934, 347
14-06-1927
Stb 1927, 155
01-02-1909
Stb 1907, 193
01-01-1897
Stb 1896, 103
18-07-1893
Stb 1893, 93
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 5

Onverminderd artikel 1 heeft de Nederlandse rechter in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen.

01-01-1987
Stb 1981, 337
15442
01-01-1986
Stb 1981, 337
15442
01-01-1935
Stb 1934, 347
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 6

De Nederlandse rechter heeft eveneens rechtsmacht in zaken betreffende:

  1. verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

  2. een individuele arbeidsovereenkomst of een agentuurovereenkomst, indien de arbeid gewoonlijk in Nederland of op een Nederlands zeeschip als bedoeld in artikel 695 lid 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt verricht of laatstelijk gewoonlijk werd verricht;

  3. een individuele arbeidsovereenkomst, indien de arbeid tijdelijk in Nederland wordt verricht, voorzover het betreft een rechtsvordering met betrekking tot arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, welke is gegrond op artikel 2 van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, artikel 7, 7a, 13 of 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, artikel 2a van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, artikel 8artikel 8a of 11 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, alsmede artikel 5, eerste lid, onder b, d, e, of f, van de Algemene wet gelijke behandeling;

  4. een overeenkomst die wordt gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, indien die natuurlijke persoon in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft en de partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf aldaar commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op Nederland en de overeenkomst onder die activiteiten valt;

  5. verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen;

  6. zakelijke rechten op, alsmede huur en verhuur, pacht en verpachting van in Nederland gelegen onroerende zaken;

  7. nalatenschappen, indien de erflater zijn laatste woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland had;

  8. de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van in Nederland gevestigde vennootschappen of rechtspersonen; de geldigheid, nietigheid of rechtsgevolgen van hun besluiten of die van hun organen, dan wel de rechten en verplichtingen van hun leden of vennoten als zodanig;

  9. faillissement, surséance van betaling of schuldsaneringsregeling natuurlijke personen indien het faillissement, de surséance van betaling of de toepassing van de schuldsaneringsregeling in Nederland is uitgesproken of verleend.

18-07-1893
Stb 1893, 93
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 6a

Voor de toepassing van artikel 6, onderdeel a, is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering in Nederland gelegen:

  1. voor de koop en verkoop van roerende zaken, indien de zaken volgens de overeenkomst in Nederland geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

  2. voor de verstrekking van diensten, indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.

Artikel 8

01-01-1935
Stb 1934, 347
06-06-1877
Stb 1877, 138
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 9

Komt de Nederlandse rechter niet op grond van de artikelen 2 tot en met 8 rechtsmacht toe, dan heeft hij niettemin rechtsmacht indien:

  1. het een rechtsbetrekking betreft die ter vrije bepaling van partijen staat en de gedaagde of belanghebbende in de procedure is verschenen niet uitsluitend of mede met het doel de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te betwisten, tenzij voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter geen redelijk belang aanwezig is,

  2. een gerechtelijke procedure buiten Nederland onmogelijk blijkt, of

  3. een zaak die bij dagvaarding moet worden ingeleid voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is en het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt.

01-01-1992
30-12-1991
01-01-1935
Stb 1934, 347
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 10

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht in het geval, bedoeld in artikel 767, alsmede indien dit voortvloeit uit andere wettelijke bepalingen tot aanwijzing van een bevoegde rechter dan die vervat in de derde afdeling van de tweede titel en de tweede afdeling van de derde titel.

01-10-1985
01-01-1935
Stb 1934, 347
30-04-1869
Stb 1869, 54
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 22

01-09-1886
Stb 1884, 94
Stb 1884, 94
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 29

2.

Onverminderd de artikelen 231, eerste lid, en 290, derde lid, verstrekt de griffier aan een ieder die dat verlangt afschrift van vonnissen, arresten en beschikkingen, tenzij verstrekking naar het oordeel van de griffier ter bescherming van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de griffier volstaan met verstrekking van een geanonimiseerd afschrift of uittreksel van het vonnis, het arrest of de beschikking.

36495
samen met
36531
01-01-1994
01-12-1986
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 29a

2.

In afwijking van de artikelen 230 en 287 bestaat de mondelinge uitspraak uit de beslissing en de gronden van de beslissing.

6.

Wordt mondeling uitspraak gedaan op grond van het vijfde lid, dan stelt de rechter zo nodig een verkort vonnis of verkorte beschikking in executoriale vorm op. In ieder geval wordt zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen twee weken na de mondelinge uitspraak, met inachtneming van de eisen opgenomen in de artikelen 230 en 287, een volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak ter beschikking van partijen gesteld. De schriftelijke uitwerking vermeldt de datum van de mondelinge uitspraak alsmede de datum van vaststelling van de schriftelijke uitwerking van die uitspraak. Is geen verkort vonnis of verkorte beschikking in executoriale vorm opgemaakt, dan is de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak in executoriale vorm opgemaakt.

35348
samen met
36212

Artikel 31

34059
samen met
34212
34059
samen met
34212
01-01-1994
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 32a

2.

In afwijking van artikel 128, derde lid, kunnen zij die een beroep willen doen op de exceptie inzake de bevoegdheid of op andere verweren die ertoe strekken dat de zaak niet behandeld moet worden door de internationale handelskamer van de rechtbank Amsterdam of van het gerechtshof Amsterdam, volstaan met deze exceptie of verweren totdat hierover is beslist. Artikel 110 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33

01-01-1994
01-10-1838
Stb 1828, 14

Vijfde A afdeling. De Autoriteit Consument en Markt en de Europese Commissie

Artikel 47

1.

Indien de deurwaarder aan geen van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde personen afschrift kan laten, laat hij een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, zowel in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploot.

01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 54

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 55

1.

Ten aanzien van hen die geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Nederland hebben, maar van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf buiten Nederland bekend is, geschiedt de betekening aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie, onderscheidenlijk de procureur-generaal, bedoeld in artikel 54, tweede en vierde lid, die een afschrift van het exploot ten behoeve van degene voor wie het bestemd is, toezendt aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken of, indien de woonplaats of het werkelijk verblijf van de betrokkene zich in Aruba, Curaçao of Sint Maarten bevindt, aan het Kabinet van de Gevolmachtigd Minister van Aruba, Curaçao respectievelijk Sint Maarten in Nederland dan wel, indien de woonplaats of het werkelijk verblijf van de betrokkene zich in een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt, aan Onze Minister van Justitie. Een tweede afschrift wordt door de deurwaarder per aangetekende brief onverwijld toegezonden aan de woonplaats of het werkelijk verblijf van de betrokkene.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 56

01-01-1992
01-08-1879
Stb 1879, 75
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 57

2.

Indien betekening in persoon niet kan geschieden, handelt de deurwaarder overeenkomstig artikel 47 en doet hij bovendien een afschrift van het exploot toekomen aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht waarvoor de zaak moet dienen of dient, dan wel, indien het exploot niet een te voeren of aanhangige procedure betreft, bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de woning gelegen is. Indien de zaak dient of moet dienen bij de Hoge Raad, geschiedt de betekening aan het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. De ambtenaar van het openbaar ministerie, onderscheidenlijk de procureur-generaal, bevordert dat het exploot de betrokkene bereikt.

01-01-1992
01-04-1988
01-08-1879
Stb 1879, 75
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 61

Ten aanzien van hen die verblijven in een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, indien het exploot een vordering tot ontruiming daarvan door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht betreft, zonder dat de naam en de woonplaats van degenen voor wie het exploot is bestemd, alsmede de persoon aan wie afschrift wordt gelaten, worden vermeld, geschiedt de betekening op de wijze als vermeld in artikel 47, met dien verstande dat voor «aan de woonplaats» in het eerste lid van dat artikel wordt gelezen: ter plaatse, en dat degenen voor wie het exploot bestemd is, daarin en op de envelop waarin een afschrift wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden aangeduid als: zij die verblijven in de desbetreffende onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Voorts wordt een uittreksel van het exploot zo spoedig mogelijk bekend gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waarin de onroerende zaak gelegen is, onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen.

01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 62

Ten aanzien van hen die algemene voorwaarden gebruiken waarin bedingen voorkomen waarvan gesteld wordt dat zij onredelijk bezwarend zijn, geschiedt, indien ingevolge artikel 1003, onder 1°, hun naam en woonplaats niet afzonderlijk in het exploot worden vermeld, de betekening aan het parket van de procureur-generaal bij het gerecht waar de zaak aanhangig wordt gemaakt, is of laatstelijk was, terwijl een uittreksel van het exploot zo spoedig mogelijk bekend wordt gemaakt in een landelijk dagblad onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen.

01-10-1838
Stb 1828, 14

Zevende afdeling. Inlichtingen over buitenlands recht en communautair mededingingsrecht

Artikel 67

01-04-1988
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 14

Achtste afdeling. Herstel van verkeerd inleiden van een procedure, verwijzing door of naar de kantonrechter en verwijzing bij absolute onbevoegdheid

Artikel 71

4.

In de beslissing tot verwijzing vermeldt de rechter op welke wijze partijen in de procedure moeten verschijnen en, voor zover van toepassing, het griffierecht of het verhoogde griffierecht dat ingevolge artikel 8 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken van partijen wordt geheven en binnen welke termijn dit griffierecht of dit verhoogde griffierecht betaald dient te worden. Artikel 111, tweede lid, aanhef en onderdeel k en onderdeel l, is van overeenkomstige toepassing. In het geval van een dagvaardingsprocedure vermeldt de rechter tevens een nieuwe roldatum en beveelt hij, indien tegen de gedaagde verstek is verleend, dat deze door de eiser bij exploot aan de gedaagde wordt aangezegd onder betekening van de beslissing tot verwijzing.

32021
samen met
32891
01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 85

4.

Indien ten aanzien van enig stuk aan enig voorschrift van dit artikel of van artikel 87, zesde lid niet is voldaan, of dermate laat dat de wederpartij dientengevolge niet voldoende in staat is zich daarover uit te laten, kan zij zich daarop tot aan het eindvonnis beroepen. In dat geval of indien zodanig beroep niet wordt gedaan, terwijl de rechter reden heeft om te veronderstellen dat de wederpartij geen afschrift van het stuk heeft ontvangen, biedt hij de wederpartij de gelegenheid zich alsnog over het stuk uit te laten, dan wel houdt hij bij zijn beslissing ten nadele van de wederpartij met het stuk geen rekening.

01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 86

De in artikel 85, tweede lid, bedoelde stukken worden teruggegeven binnen een week na dagtekening van het ontvangstbewijs of, op verlangen van de partij die zich op de stukken beroept, binnen een week na de kennisgeving aan de wederpartij dat de stukken ter griffie zijn gedeponeerd.

01-01-1992
01-01-1935
Stb 1934, 347
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 87

6.

Onverminderd artikel 85, worden processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij dagvaarding dan wel conclusie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding gebracht, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet.

7.

Indien met het oog op de mondelinge behandeling een bevel als bedoeld in artikel 22 wordt gegeven, moeten de stukken uiterlijk op een door de rechter te bepalen dag vóór de datum van de mondelinge behandeling zijn ingediend en aan de wederpartij ter beschikking zijn gesteld.

01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 90

08-07-1985
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 94

1.

Indien een zaak meer dan één vordering als bedoeld in artikel 93 onder a en b betreft, is voor de toepassing van dat artikel beslissend het totale beloop of de totale waarde van deze vorderingen.

2.

Indien een zaak meer vorderingen betreft en tenminste één daarvan een vordering is als bedoeld in artikel 93 onder c of d, worden deze vorderingen alle door de kantonrechter behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.

30-12-1991
08-07-1985
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 14

Artikel 97

1.

Buiten de gevallen als bedoeld in artikel 94, derde lid, wordt een zaak in reconventie ook in afwijking van de artikelen 93 tot en met 96 behandeld en beslist door de rechter die de zaak in conventie behandelt en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.

2.

Buiten de gevallen als bedoeld in artikel 94, vierde lid, wordt een zaak in vrijwaring ook in afwijking van de artikelen 93 tot en met 96 behandeld en beslist door de rechter die de hoofdzaak behandelt en beslist.

01-01-1993
30-12-1991
01-01-1971
25-01-1969
01-01-1966
Stb 1965, 527
7172
Stb 1965, 527
7172
18-07-1893
Stb 1893, 93
01-10-1838
Stb 1828, 18

Artikel 98

Indien de kantonrechter in de gevallen, bedoeld in de artikelen 94, tweede tot en met vierde lid, en 97, eerste lid, van oordeel is dat de zaak ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één rechter, kan hij de zaak met toepassing van artikel 15, tweede lid, verwijzen naar een meervoudige kamer voor andere zaken dan kantonzaken.

32021
samen met
32891
01-01-1992
16593
samen met
19976
01-07-1979
Stb 1979, 330
14249
01-05-1971
01-11-1938
Stb 1937, 205
19
01-10-1838
Stb 1828, 18

Artikel 108

2.

Beloopt de vordering evenwel ten hoogste € 25.000 of betreft het een individuele arbeidsovereenkomst dan wel een zaak als bedoeld in artikel 101 of artikel 103, tweede zin, dan heeft een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid geen gevolg, tenzij:

  1. zij is aangegaan na het ontstaan van het geschil, of

  2. de werknemer, de partij die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf dan wel de huurder zich tot de aangewezen rechter wendt.

30-12-1991
22-07-1923
Stb 1923, 280
01-10-1838
Stb 1828, 18

Artikel 109

Wijzen de artikelen 99 tot en met 108 geen bevoegde rechter aan, dan is bevoegd de rechter van de woonplaats van de eiser dan wel, indien er meer eisers zijn, elk van de eisers of, bij gebreke daarvan, de rechter te 's-Gravenhage.

30-12-1991
01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 18

Vierde afdeling. Dagvaarding

Artikel 111

2.

Naast de gegevens bedoeld in artikel 45, derde lid, vermeldt het exploot van dagvaarding:

  1. de door eiser gekozen woonplaats in Nederland;

  2. in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, indien de eiser bij gemachtigde procedeert, de naam en het adres van de gemachtigde;

  3. in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, de naam en het kantooradres van de advocaat die door de eiser wordt gesteld;

  4. de eis en de gronden daarvan;

  5. de aanwijzing van de rechter die van de zaak kennisneemt, onder vermelding van het adres van de zittingsplaats waar de zaak moet worden behandeld alsmede, indien de zaak moet worden behandeld in een zittingsplaats waar geen stukken kunnen worden ingediend, het adres waar stukken kunnen worden ingediend;

  6. de roldatum waartegen wordt gedagvaard en, indien alsdan een terechtzitting plaatsvindt, het uur daarvan;

  7. in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen: de wijze waarop de gedaagde in het geding moet verschijnen, te weten in persoon of vertegenwoordigd door een gemachtigde en de wijze waarop de gedaagde kan antwoorden, zoals bepaald in artikel 82, eerste en tweede lid;

  8. in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen: de wijze waarop de gedaagde in het geding moet verschijnen, te weten vertegenwoordigd door een advocaat;

  9. de in artikel 139 genoemde rechtsgevolgen die intreden indien de gedaagde niet op de voorgeschreven wijze in het geding verschijnt of, behalve in kantonzaken of zaken in kort geding, het door zijn verschijning verschuldigde griffierecht niet tijdig voldoet;

  10. indien er meer gedaagden zijn, het in artikel 140, derde lid, genoemde rechtsgevolg dat intreedt indien niet alle gedaagden op de voorgeschreven wijze in het geding verschijnen;

  11. de mededeling of van gedaagde bij verschijning in de procedure griffierecht zal worden geheven en binnen welke termijn dit griffierecht betaald dient te worden met verwijzing naar een vindplaats van de meest recente bijlage behorende bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken waarin de hoogte van de griffierechten staan vermeld. Hierbij wordt vermeld dat van een persoon die onvermogend is, een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven, heeft overgelegd:

    1. 1°.

      een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand, dan wel

    2. 2°.

      een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet;

  12. indien het exploot van dagvaarding een zaak betreft waarbij meerdere gedaagden zijn betrokken, de mededeling dat van partijen die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen of gelijkluidend verweer voeren, op basis van artikel 15 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven;

  13. de in artikel 21 genoemde verplichting en de in artikel 149 genoemde rechtsgevolgen die intreden indien de in de dagvaarding gestelde feiten en rechten door de gedaagde niet of onvoldoende worden betwist.

32021
samen met
32891
33108
samen met
33451
30-12-1991
01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 18

Artikel 117

De in de artikelen 114, 115 en 116 genoemde termijnen kunnen op mondeling of schriftelijk verzoek van de eiser door de voorzieningenrechter of, in kantonzaken, de kantonrechter, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, worden verkort. De beschikking wordt vermeld aan het hoofd van het exploot van dagvaarding.

34059
samen met
34212
01-01-1992
30-12-1991
01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 18

Vijfde afdeling. Verloop van de procedure

Artikel 125

01-01-1992
30-12-1991
01-04-1988
01-01-1966
Stb 1965, 527
7172
22-07-1923
Stb 1923, 280
01-10-1838
Stb 1828, 18

Artikel 126

01-01-1992
16593
samen met
19976
30-12-1991
01-10-1985
08-10-1984
29-07-1972
01-09-1896
Stb 1896, 9
18-07-1893
Stb 1893, 93
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 128

7.

Artikel 127a, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 131

Nadat de gedaagde voor antwoord heeft geconcludeerd, beveelt de rechter een mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 87, tenzij hij oordeelt dat de zaak daarvoor niet geschikt is. Uiterlijk twee weken na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip beslist de rechter hieromtrent. Tegen deze beslissing staat geen hogere voorziening open.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 132

1.

Indien geen mondelinge behandeling op de voet van artikel 131 is bevolen, geeft de rechter aan de eiser gelegenheid voor repliek te concluderen. Hierna kan de gedaagde voor dupliek concluderen.

2.

Is wel een mondelinge behandeling op de voet van artikel 131 bevolen, dan wordt aan partijen slechts gelegenheid geboden voor repliek en dupliek, indien zulks met het oog op artikel 19 of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is.

3.

De rechter staat het nemen van nog meer conclusies toe, indien zulks met het oog op artikel 19 of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 146

1.

Op het exploot van verzet is artikel 111, tweede lid, onder a tot en met c en e tot en met h van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat niet vermeld hoeft te worden de wijze waarop de oorspronkelijk eiser kan antwoorden,

01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 169

Indien een partij verkorting of verlenging van de termijnen, bedoeld in de artikelen 166 en 168, verzoekt, wordt op dit verzoek na verhoor of behoorlijke oproeping van de wederpartij beslist. Tegen de beslissing staat geen hogere voorziening open.

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 181

1.

In afwijking van artikel 180 behoeft in zaken die niet aan hoger beroep zijn onderworpen, geen proces-verbaal van het getuigenverhoor te worden opgemaakt. Het naar aanleiding van het getuigenverhoor te wijzen vonnis houdt, behalve de vermelding van de opgave, verklaringen en eedsaflegging bij artikel 177 aangeduid, de summiere inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen in.

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 184

Het nalaten van een van de in deze paragraaf voorgeschreven formaliteiten heeft, met uitzondering van artikel 177 omtrent het afleggen van de eed, alleen de nietigheid van het verhoor ten gevolge indien de belanghebbende partij daardoor in haar belangen is benadeeld en het verzuim niet kan worden hersteld; in het tegenovergestelde geval kan de rechter, zo daartoe gronden zijn, herstel van begane onregelmatigheden bevelen.

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 187

De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een of meer partijen deskundigen vragen hun kosten te begroten. Door de eisende partij wordt een door de rechter te bepalen voorschot en, als dit is bepaald, een nader voorschot, voor die kosten ter griffie gestort, voor zover niet bij het vonnis, bedoeld in artikel 186, eerste lid, in verband met de omstandigheden van het geding de wederpartij of beide partijen samen daartoe is of zijn aangewezen. Aan partijen aan wie ingevolge de Wet op de rechtsbijstand een toevoeging is verleend of bij wie ingevolge artikel 16 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken het griffierecht voor onvermogenden is geheven, wordt geen voorschot opgelegd. Ook wordt geen voorschot opgelegd aan de partijen van wie geen griffierecht is geheven en aan wie de griffier verklaart dat, als van hen wel griffierecht zou zijn geheven, dat het griffierecht voor onvermogenden zou zijn. Weigert de griffier een verklaring als bedoeld in de vorige zin af te geven, dan staat daartegen verzet open op de wijze als voorzien in artikel 29 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken.

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 188

1.

De rechter kan, zo nodig ambtshalve, bij de bepaling van een voorschot als bedoeld in artikel 187, of later, een termijn vaststellen voor de voldoening van het voorschot. Deze termijn kan een of meerdere keren worden verlengd. Tegen beslissingen ingevolge de eerste en tweede zin staat geen hogere voorziening open.

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 190

6.

De rechter kan bepalen dat het proces-verbaal, bedoeld in het vijfde lid, wordt vervangen door een door of namens hem gemaakte beeld- of geluidsopname als bedoeld in artikel 90, zevende en achtste lid. Als naderhand een schriftelijke weergave van het proces-verbaal wordt opgesteld, wordt het proces-verbaal ondertekend door de rechter aan wie het mondelinge verslag is uitgebracht.

01-04-1988

Artikel 191

2.

De griffier betaalt het bedrag ten laste van het gestorte voorschot aan de deskundigen. Als het vastgestelde voorschot niet toereikend is, wordt voor het resterende bedrag een bevelschrift van tenuitvoerlegging op de minuut van het schriftelijke bericht uitgegeven ten laste van de in de tweede volzin van artikel 187 genoemde partij of partijen. In geval van een mondeling verslag of van een gemaakte beeld- of geluidsopname wordt dit bevelschrift gegeven op een in executoriale vorm uitgegeven uittreksel uit het proces-verbaal van het mondelinge verslag of uit de schriftelijke weergave van het proces-verbaal als bedoeld in artikel 190, zesde lid.

3.

Wordt geen voorschot opgelegd als bedoeld in artikel 187, derde tot en met vijfde volzin, en kan het tweede lid als gevolg daarvan niet worden toegepast, dan betaalt de griffier het bedrag waarop de deskundigen aanspraak hebben ten laste van de Staat. Gedurende het geding wordt het ten laste van de Staat betaalde bedrag voorlopig in debet gesteld.

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

§ 6. Plaatsopneming en bezichtiging

Artikel 193

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

§ 7. Inzage, afschrift of uittreksel van gegevens

Artikel 197

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 202

2.

Als artikel 191, derde lid, van toepassing is en het bedrag van de schadeloosstelling en het loon van deskundigen voorlopig in debet zijn gesteld, bepaalt de rechter bij de toezending van het schriftelijke bericht aan partijen of bij de afgifte van het proces-verbaal van de slotsom van het mondelinge verslag, dan wel zo spoedig mogelijk daarna, welk deel van dit bedrag ieder van de partijen moet dragen en veroordeelt hen tot betaling van dat bedrag aan de griffier. Betaalt een partij niet, dan geeft de griffier een dwangbevel uit. Artikel 30 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken is van overeenkomstige toepassing. De tenuitvoerlegging wordt opgeschort als blijkt dat de veroordeling nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

§ 9. Maatregelen tot bescherming van bewijs

Artikel 205

4.

Als op het tijdstip van het verlof een procedure nog niet aanhangig is gemaakt, wordt het verlof verleend onder de voorwaarde dat binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn een eis in de hoofdzaak wordt ingesteld. Bij overschrijding van deze termijn vervalt het beslag. De voorzieningenrechter kan onverminderd artikel 64, derde lid, de deurwaarder toestaan het beslag te leggen op alle dagen en uren. Bij het verlof kan de voorzieningenrechter ook nadere voorwaarden stellen, aanwijzingen geven die hij geraden acht en bepalen dat binnen een door hem te bepalen termijn een voorschot voor de kosten van de beslaglegging moet worden voldaan.

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 206

4.

Onverminderd artikel 705 kan de wederpartij in de procedure waarin de eis in de hoofdzaak is ingesteld, vorderen dat het beslag wordt opgeheven.

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

§ 2. Vrijwaring

Artikel 210

2.

Indien de eiser meent gronden te hebben om iemand in vrijwaring op te roepen, neemt hij zijn daartoe strekkende, met redenen omklede conclusie uiterlijk op de roldatum, op zijn verzoek bepaald bij de verschijning van partijen ter terechtzitting op de voet van artikel 131. Vindt geen verschijning van partijen op de voet van artikel 131 plaats, dan neemt de eiser zijn conclusie uiterlijk op de voor het nemen van de conclusie van repliek bepaalde datum.

34059
samen met
34212
01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

§ 4. Verwijzing en voeging van zaken

Artikel 220

5.

Indien bij hetzelfde gerecht één der zaken in behandeling is bij de kantonrechter en deze een vordering betreft als bedoeld in artikel 93 onder c of d, kan in de andere zaak verwijzing van die andere zaak naar de kantonrechter worden gevorderd, ook als die zaak reeds eerder aanhangig was.

6.

Artikel 71, vierde lid, eerste zin, is van overeenkomstige toepassing.

34059
samen met
34212
01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

§ 6. Zekerheidstelling voor proceskosten

Artikel 224

01-04-1988

Artikel 227

1.

In de gevallen, bedoeld in artikel 225, eerste lid, wordt het geding hervat in de stand waarin dit zich bij de schorsing bevond:

  1. doordat de partij bij wie de grond voor de schorsing is opgekomen bij de betekening van de schorsingsgrond verklaart dat het geding wordt hervat;

  2. doordat een der partijen, met instemming van de andere partij, een daartoe strekkende akte ter rolle neemt, dan wel bij exploot verklaart dat het geding wordt hervat.

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 232

2.

Van de artikelen 230 en 231, eerste lid, kan, voor zover nodig, worden afgeweken indien een tussenvonnis wordt gewezen ter beslissing op een incidentele vordering en de wederpartij te kennen geeft tegen toewijzing geen bezwaar te hebben.

01-04-1988
01-10-1838
Stb 1828, 19

§ 2. Kosten

Artikel 237

01-04-1988
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 241

Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing. Dit artikel is niet van toepassing ter zake van kosten als bedoeld in artikel 96, vijfde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

01-04-1988
04-06-1923
Stb 1923, 189
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 242

1.

De rechter kan bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 96, tweede lid, onder b en c, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ambtshalve matigen, doch niet tot onder het bedrag van de krachtens de wet te begroten proceskosten respectievelijk het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing ter zake van kosten als bedoeld in artikel 96, vijfde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en geldt niet voor overeenkomsten die strekken tot regeling van een reeds gerezen geschil.

01-04-1991
01-04-1988
26-07-1976
Stb 1976, 229
samen met
Stb 1976, 397
11416
samen met
11416
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 243 [Vervallen per 01-11-2010]

01-04-1988
04-06-1923
Stb 1923, 189
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 248

Indien ten aanzien van een partij, met toepassing van het derde lid van artikel 191, het bedrag van de schadeloosstelling en het loon van deskundigen voorlopig in debet zijn gesteld, beslist de rechter met overeenkomstige toepassing van artikel 244, tweede lid, welk deel van dit bedrag elk der partijen dient te dragen en veroordeelt hen dienovereenkomstig tot voldoening aan de griffier.

01-10-1838
Stb 1828, 19

§ 3. Verval van instantie

Artikel 251

01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 19

Veertiende afdeling. Het kort geding

Artikel 254

01-01-1989
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 268

2.

Van de in artikel 12, vierde lid, tweede volzin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, bedoelde beschikking wordt door de griffier afschrift gezonden aan de als uitsluitend bevoegde aangewezen kantonrechter, aan de onder curatele gestelde, de rechthebbende en degene ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld en voorts aan de curator, de mentor en aan ieder der bewindvoerders. Van de beslissing is geen hogere voorziening toegelaten. De kantonrechter die als uitsluitend bevoegde is aangewezen, is aan die aanwijzing gebonden.

01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 269

Wijzen de artikelen 262 tot en met 268 geen bevoegde rechter aan, dan is de rechter te 's-Gravenhage bevoegd.

01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 276

2.

De oproeping bevat tevens de mededeling of voor de indiening van een verweerschrift griffierecht zal worden geheven en dat indien de verweerder het verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft voldaan de rechter het ingediende verweerschrift niet bij zijn beslissing op het verzoek betrekt, binnen welke termijn dit griffierecht betaald dient te worden, alsmede een verwijzing naar een vindplaats van de meest recente bijlage behorende bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken waarin de hoogte van de griffierechten staan vermeld. Hierbij wordt vermeld dat van een persoon die onvermogend is, een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:

  1. 1°.

    een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand, dan wel

  2. 2°.

    een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet.

01-03-1954
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 277

01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 279

6.

De artikelen 87 tot en met 90 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak of de procedure zich hiertegen verzet.

01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 282a

Artikel 284

1.

De negende afdeling van de tweede titel is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.

2.

De overeenkomstige toepassing van de artikelen 187 en 191 vindt aldus plaats dat de daarin bedoelde voorschotheffing, tenuitvoerlegging of voorlopige indebetstelling geschiedt ten laste van de belanghebbende die het verzoekschrift heeft ingediend dan wel mede of uitsluitend ten laste van een of meer andere door de rechter aangewezen belanghebbenden.

01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 294 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 295 [Vervallen per 01-01-2002]

24-07-1963
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 298 [Vervallen per 01-04-1991]

01-04-1991
01-09-1983
Stb 1982, 670
15963
01-01-1935
Stb 1934, 347
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 299 [Vervallen per 01-04-1991]

01-04-1991
01-09-1983
Stb 1982, 670
15963
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 300 [Vervallen per 01-04-1991]

01-04-1991
01-09-1983
Stb 1982, 670
15963
01-01-1935
Stb 1934, 347
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 301 [Vervallen per 01-04-1991]

01-04-1991
01-09-1983
Stb 1982, 670
15963
01-01-1935
Stb 1934, 347
06-06-1877
Stb 1877, 138
01-10-1838
Stb 1828, 19

Artikel 302 [Vervallen per 01-04-1991]

01-04-1991
01-09-1983
Stb 1982, 670
15963
01-01-1935
Stb 1934, 347
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 19

Vierde titel

Artikel 303 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1935
Stb 1934, 347
01-07-1934
Stb 1933, 613
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 21

Artikel 314 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-05-1990
01-01-1935
Stb 1934, 347
01-10-1838
Stb 1828, 21

Artikel 317 [Vervallen per 01-04-1991]

01-04-1991
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 21

Artikel 320a [Vervallen per 01-01-1997]

01-01-1992
01-09-1990
01-05-1990
01-04-1966
01-11-1952
Stb 1939, 201
18
01-02-1927
Stb 1924, 573

Artikel 320c [Vervallen per 01-01-1997]

01-01-1992
01-09-1990
01-05-1990
01-08-1975
Stb 1975, 276
11923
01-04-1966
01-02-1927
Stb 1924, 573

Artikel 320r [Vervallen per 01-01-1997]

01-05-1990
01-04-1966
01-11-1952
Stb 1939, 201
18
01-02-1927
Stb 1924, 573

Artikel 321 [Vervallen per 01-04-1991]

01-04-1991
01-05-1990
01-01-1935
Stb 1934, 347
01-10-1838
Stb 1828, 21

Vijfde titel

Artikel 322 [Vervallen per 01-01-2002]

01-04-1933
Stb 1932, 577
01-10-1838
Stb 1828, 22

Artikel 324 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1992
01-01-1989
01-10-1971
01-01-1971
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-04-1933
Stb 1932, 577
01-10-1838
Stb 1828, 22

Artikel 325 [Vervallen per 01-01-2002]

01-04-1933
Stb 1932, 577
01-10-1838
Stb 1828, 22

Artikel 326 [Vervallen per 01-01-2002]

01-04-1933
Stb 1932, 577
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 22

Tweede afdeling. Van den termijn van beroep

Artikel 339

01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 24

Artikel 345 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 24

Artikel 353

2.

Niettemin is artikel 224 niet anders van toepassing dan behoudens de navolgende bepalingen:

De oorspronkelijke gedaagde, eischer wordende in hooger beroep, is niet gehouden tot de in dat artikel bedoelde zekerheidstelling.

De gedaagde in hooger beroep is daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van incidenteel beroep.

De in eersten aanleg gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van hooger beroep.

De zekerheidstelling wordt gevorderd vóór alle weren van regten.

01-01-1992
01-04-1988
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 24

Artikel 357 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 24

Vierde afdeling. Hoger beroep tegen beschikkingen

Artikel 358

1.

Tegen eindbeschikkingen in zaken als bedoeld in artikel 261 staat, behoudens berusting, hoger beroep open.

2.

Door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. De artikelen 340 en 350, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de nieuwe termijn van hoger beroep openstaat voor degene die beroep in cassatie heeft ingesteld. Bij het beroepschrift worden zoveel afschriften gevoegd als er anderen dan hij in eerste aanleg zijn opgeroepen.

3.

De termijn loopt in zaken die volgens afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, vanaf de dag van de uitspraak, behoudens voor zover het niet verschenen belanghebbenden betreft die, hoewel zij ten tijde van de indiening van het verzoekschrift bekend waren, niet bij name, en zo zij toen onbekend waren, in het geheel niet zijn opgeroepen. Voor de in de vorige zin bedoelde belanghebbenden loopt de termijn vanaf de betekening van de beschikking of het tijdstip waarop de beschikking hun op andere wijze bekend geworden is. Hetzelfde geldt in zaken betreffende executele en vereffening van een nalatenschap.

01-03-1954
02-05-1876
Stb 1876, 86
01-10-1838
Stb 1828, 24

Artikel 359

Hoger beroep wordt ingesteld door indiening van een beroepschrift ter griffie van het gerechtshof. Het beroepschrift vermeldt, naast hetgeen ingevolge artikel 278, eerste lid, in het verzoekschrift moet worden vermeld, naam en woonplaats van hen die in eerste aanleg in de procedure zijn verschenen of bij name zijn opgeroepen.

01-10-1838
Stb 1828, 24

Artikel 365 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 25

Artikel 368 [Vervallen per 01-01-2002]

01-11-1910
Stb 1910, 180
Stb 1910, 180
01-10-1838
Stb 1828, 25

Artikel 372 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 25

Artikel 391

De artikelen 382 tot en met 384 en 386 tot en met 389 zijn van overeenkomstige toepassing. Overigens wordt het verzoek tot herroeping behandeld op de wijze als in de derde titel is bepaald.

01-04-1988
10-04-1869
Stb 1869, 55
01-10-1838
Stb 1837, 34

Tiende A titel. Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

Artikel 392

01-10-1838
Stb 1837, 34

Artikel 393

5.

De in het vierde lid bedoelde toelichting kan worden gegeven door een andere dan de volgens het derde lid aangewezen advocaat. De daaruit voor een partij ontstane vermeerdering van kosten is niet in de in artikel 394, tweede lid, bedoelde beslissing over de kosten begrepen. Een schriftelijke toelichting wordt door de advocaat getekend en ter griffie van de Hoge Raad ingediend. De griffier zendt onverwijld een afschrift aan de door deze andere partijen gestelde advocaten bij de Hoge Raad.

9.

Indien het antwoord op de vraag, nadat deze is gesteld, niet meer nodig is om in de procedure als bedoeld in artikel 392, eerste lid, op de vordering of het verzoek te beslissen, kan de Hoge Raad, indien hem dat geraden voorkomt, de vraag desondanks beantwoorden.

10-04-1869
Stb 1869, 55
01-10-1838
Stb 1837, 34

Artikel 395

In afwijking van artikel 29a is in een procedure inzake prejudiciële vragen geen mondelinge uitspraak mogelijk.

01-10-1838
Stb 1837, 34

Artikel 397

4.

Indien niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit dit artikel of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 33, stelt de Hoge Raad de desbetreffende partij in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt de eiser of verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan verklaart de Hoge Raad eiser of verzoeker niet ontvankelijk in zijn beroep in cassatie dan wel kan de Hoge Raad het stuk buiten beschouwing laten.

01-10-1838
Stb 1837, 34

Artikel 397a

Artikel 406 [Vervallen per 01-05-2023]

01-01-1992
24-07-1963
01-09-1876
Stb 1876, 124
10-04-1869
Stb 1869, 55
01-10-1838
Stb 1837, 35

Derde afdeling. Van de rechtspleging in cassatie in vorderingsprocedures

Artikel 407

2.

Op de procesinleiding is artikel 111, tweede lid, onderdelen a, c, en e, van overeenkomstige toepassing. Daarnaast vermeldt de procesinleiding:

  1. de naam en in geval van een natuurlijke persoon tevens de voornamen van de eiser of de verzoeker, de woonplaats van eiser en de door hem gekozen woonplaats in Nederland, respectievelijk de woonplaats of, bij gebreke daarvan, het werkelijk verblijf van de verzoeker,

  2. de naam en woonplaats van de verweerder bij de vordering, dan wel de bij de verzoeker bekende namen en woonplaats van belanghebbenden,

  3. de dag waarop de verweerder ten laatste kan verschijnen, welke dag ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden ligt na de dag van indiening van de procesinleiding,

  4. de omschrijving van de middelen waarop het beroep in cassatie steunt.

01-10-1985
24-07-1963
01-09-1876
Stb 1876, 124
10-04-1869
Stb 1869, 55
01-10-1838
Stb 1837, 35

Artikel 407a

2.

In het oproepingsbericht neemt de griffier de inhoud en de datum van indiening van de procesinleiding op, alsmede de gegevens bedoeld in de onderdelen h, j, k en l van artikel 111, tweede lid. De griffier vermeldt daarnaast de rechtsgevolgen die intreden indien de verweerder het door zijn verschijning verschuldigde griffierecht niet tijdig voldoet en de dag waarop de verweerder ten laatste zijn verweerschrift kan indienen.

Artikel 407b

1.

Het oproepingsbericht bedoeld in artikel 407a wordt aan de verweerder bij exploot betekend of door eiser op andere wijze bezorgd, binnen twee weken na de dag van indiening van de procesinleiding, tenzij de wet anders bepaalt. Het exploot van betekening van het oproepingsbericht wordt door de eiser ingediend uiterlijk op de dag, voorafgaande aan de dag waarop de verweerder ten laatste kan verschijnen. Is de verweerder eerder verschenen, dan kan de eiser de indiening van het exploot van betekening achterwege laten.

2.

Heeft de eiser het oproepingsbericht bezorgd op andere wijze, bedoeld in het eerste lid, en verschijnt de verweerder niet uiterlijk op de laatste dag waarop hij diende te verschijnen, dan kan eiser binnen twee weken na de dag waarop verweerder uiterlijk diende te verschijnen, het oproepingsbericht doen betekenen bij de verweerder. De termijn om te verschijnen bedoeld in artikel 407, tweede lid, wordt in dat geval verlengd met vier weken. Het oproepingsbericht kan met het oog daarop door de deurwaarder in zijn exploot van betekening worden verbeterd of aangevuld. In dat geval vervangt dit gewijzigde oproepingsbericht het eerdere oproepingsbericht en geldt deze nieuwe uiterlijke verschijningsdatum.

Artikel 407c

1.

In afwijking van artikel 407, tweede lid, onderdeel c, bedraagt de termijn om te verschijnen:

  1. minimaal vier weken en maximaal zes maanden indien de verweerder een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland heeft in een Staat waar de in artikel 56, eerste lid, bedoelde verordening van toepassing is. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop het oproepingsbericht aan de verweerder is betekend of aan hem is kennisgegeven op een wijze overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 56, eerste lid. De termijn van verschijning wordt in de procesinleiding opgenomen in plaats van de dag van verschijning;

  2. minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden indien de verweerder een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland heeft in een Staat die partij is bij het op 15 november 1965 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (Trb. 1966, 91) of indien de verweerder noch in Nederland, noch in een Staat als bedoeld in dit artikel onder a of in een Staat als bedoeld in voormeld Verdrag, maar in een andere Staat een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft. Deze termijn vangt aan na de dag van indiening van de procesinleiding bij de Hoge Raad. De eiser dient het bewijs van betekening of van kennisgeving aan de verweerder onverwijld in, zodra hij hierover beschikt.

2.

Artikel 116 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn om te verschijnen ten minste zes weken bedraagt.

Artikel 417

De pleidooien kunnen ook worden gehouden door andere dan de volgens de artikelen 407 en 409 aangewezen advocaten, zonder dat de daaruit ontstaande vermeerdering van kosten in de uitspraak over de kosten begrepen is.

24-07-1963
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-09-1876
Stb 1876, 124
01-10-1838
Stb 1837, 35

Artikel 418a

Voor zover uit deze titel niet anders voortvloeit, zijn van de tweede titel de artikelen 117 tot en met 122, de zevende tot en met de negende afdeling, alsmede de elfde tot en met de dertiende afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

  1. onder het exploot van dagvaarding in de artikelen 120 tot en met 122 en in artikel 230, tweede lid, wordt verstaan het exploot van betekening van het oproepingsbericht;

  2. voor de toepassing van de elfde afdeling schorsing en hervatting van het geding enkel plaatsvinden door een daartoe strekkende akte. Na hervatting van het geding bepaalt de Hoge Raad de te verrichten proceshandeling en stelt hij partijen hiervan in kennis onder vermelding van de toepasselijke termijnen.

01-04-1988

Artikel 427b

Artikel 282a is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 431

1.

Behoudens het bepaalde in de artikelen 985-994, kunnen noch beslissingen, door vreemde rechters gegeven, noch buiten Nederland verleden authentieke akten binnen Nederland ten uitvoer worden gelegd.

01-01-1992
11-11-1964
01-10-1838
Stb 1828, 29

Artikel 438

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 29

Artikel 438a

1.

In zaken betreffende een executie die volgens de tweede en de derde titel van dit Boek of titel 9 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek worden ingeleid door indiening van een verzoek aan de voorzieningenrechter van de rechtbank, is bevoegd de voorzieningenrechter in wiens rechtsgebied de te executeren zaken zich geheel of grotendeels bevinden of de executie zal geschieden.

2.

De indiening van verzoeken krachtens de artikelen 459, derde lid, 461b, 462, tweede lid, 463, vijfde lid, 463a, 465, 481, eerste lid, 496, tweede lid, en 506, tweede lid, kan ook door een deurwaarder geschieden. Hetzelfde geldt voor een verzoek krachtens artikel 234, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, indien de executie door een pandhouder geschiedt, of krachtens artikel 251 van dat Boek. Indien een deurwaarder het verzoek indient, geldt zijn kantoor als gekozen woonplaats van de verzoeker.

01-01-1992
15-03-1930
Stb 1929, 530

Artikel 438b

Voor zover de executie andere handelingen vergt dan het doen van een exploot, is artikel 64 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van het derde lid van dat artikel de plaats waar de handeling moet worden verricht, bepalend is.

01-01-1992
01-01-1986
Stb 1981, 337
15442

Artikel 440

3.

Het proces-verbaal van inbeslagneming van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, sub c, Wegenverkeerswet 1994 of een aanhangwagen als bedoeld in artikel 1, sub d, Wegenverkeerswet 1994 waarvoor een kenteken is opgegeven als bedoeld in artikel 36 Wegenverkeerswet 1994 zal onverwijld in het kentekenregister, bedoeld in artikel 42 Wegenverkeerswet 1994, worden ingeschreven. De deurwaarder zorgt ervoor dat deze inschrijving wordt beëindigd zodra het beslag is opgeheven of vervallen.

01-01-1992
30-12-1971
01-12-1964
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 442

1.

In afwijking van artikel 440, kan beslag op een in het kentekenregister geregistreerd motorrijtuig of aanhangwagen geschieden bij een proces-verbaal van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

  1. de vermelding van de voornaam, naam en woonplaats van de executant en de naam en woonplaats van de geëxecuteerde;

  2. de vermelding van de titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;

  3. een omschrijving van het in beslag te nemen motorrijtuig of de in beslag te nemen aanhangwagen, alsmede het kenteken van het motorrijtuig of de aanhangwagen;

  4. indien het beslag niet wordt gelegd door een deurwaarder ten kantore van wie woonplaats is gekozen overeenkomstig artikel 439, derde lid, een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder die het beslag legt, en

  5. indien nodig, instructies inzake het afgeven van het motorrijtuig of de aanhangwagen aan de deurwaarder ten behoeve van de executie.

4.

In dit artikel wordt onder motorrijtuig verstaan een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, sub c, Wegenverkeerswet 1994, onder aanhangwagen een aanhangwagen als bedoeld in artikel 1, sub d, Wegenverkeerswet 1994, onder het kentekenregister het kentekenregister bedoeld in artikel 1, sub i, Wegenverkeerswet 1994 en onder kenteken een kenteken als bedoeld in artikel 1, sub g Wegenverkeerswet 1994.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 444

3.

Bij het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner zijn de artikelen 10 en 11, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden op het proces-verbaal van beslag van overeenkomstige toepassing. Deze artikelen gelden eveneens in het geval dat na het binnentreden geen beslag wordt gelegd.

01-10-1994
01-04-1994
01-01-1992
25-11-1968
26-01-1933
Stb 1932, 676
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 444a

01-01-1992
26-01-1933
Stb 1932, 676

Artikel 445

Indien er bij de inbeslagneming gereed geld wordt gevonden, zal het getal en de geldsoort vermeld worden; de deurwaarder zal het geld benevens alle aandeelbewijzen, effecten en verder geldswaarde hebbend papier aan een door hem aan te wijzen financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen of door een zodanige financiële onderneming gegarandeerd effectenbewaarbedrijf of aan de Nederlandsche Bank N.V. in gerechtelijke bewaring geven, tenzij de executant en geëxecuteerde omtrent een andere plaats van bewaring mochten zijn overeengekomen. De bewaring geschiedt ten name van de deurwaarder onder vermelding van het beslag, van de executant en van de geëxecuteerde.

01-01-1993
01-01-1992
11-10-1972
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 447

1.

Op de volgende roerende zaken mag geen beslag worden gelegd:

  1. zaken die behoren tot de inboedel, bedoeld in artikel 5 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, van de door de schuldenaar bewoonde woning;

  2. de kleding van de schuldenaar en van de tot zijn gezin behorende huisgenoten;

  3. de in de woning aanwezige voorraad levensmiddelen;

  4. zaken die de schuldenaar en de tot zijn gezin behorende huisgenoten redelijkerwijs nodig hebben voor de persoonlijke verzorging en de algemene dagelijkse levensbehoeften;

  5. de in de woonruimte aanwezige zaken die de schuldenaar en de tot zijn gezin behorende huisgenoten redelijkerwijs nodig hebben voor de verwerving van de noodzakelijke middelen van bestaan, dan wel voor hun scholing of studie;

  6. zaken van hoogstpersoonlijke aard;

  7. gezelschapsdieren van de schuldenaar en van de tot zijn gezin behorende huisgenoten, alsmede de voor de verzorging van deze dieren noodzakelijke zaken.

01-01-1992
01-05-1990
01-04-1966
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 448

Een roerende zaak of gezelschapsdier als bedoeld in artikel 447, eerste lid, kan wel in beslag worden genomen voor vorderingen ter zake de verkoop, vervaardiging of het herstel van de zaak of de verkoop of verzorging van het gezelschapsdier aan de geëxecuteerde of de tot zijn gezin behorende huisgenoten.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 457

2.

Is het eerdere beslag gelegd op de grondslag van het Wetboek van Strafvordering dan is de beslaglegger verplicht het door hem later gelegde beslag onverwijld te betekenen aan het parket van het openbaar ministerie bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de strafzaak, op grond waarvan het eerdere beslag is gelegd, wordt of het laatst werd vervolgd.

01-03-1993
01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 465

1.

De aankondiging van de verkoop moet geschieden na de in artikel 449 bedoelde betekening en tenminste vier dagen vóór de aanvang van de verkoop, tenzij die termijn door de voorzieningenrechter van de rechtbank ten verzoeke van de meest gerede partij is verkort.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 474

De deurwaarder is verantwoordelijk voor de verkregen opbrengst en voldoet daaruit onverwijld de kosten van de executie. Hij vermeldt in zijn proces-verbaal de namen en woonplaatsen van de kopers. Indien artikel 480, tweede lid, van toepassing is, maakt de deurwaarder aan de voet van zijn proces-verbaal aantekening van de namen van de schuldeisers die beslag hebben gelegd op goederen of de opbrengst van de tenuitvoerlegging en van de beperkt gerechtigden van wie het recht door de tenuitvoerlegging is vervallen.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Eerste afdeling B. Van executoriaal beslag op aandelen op naam in naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

Artikel 474c

01-01-1993
01-01-1992
26-07-1976
Stb 1976, 287
12897
11-10-1972

Artikel 474g

1.

Binnen één maand na het exploot van beslag zal de beslaglegger, op straffe van verval van het gelegde beslag, aan de rechtbank van de plaats van vestiging van de vennootschap, zo mogelijk onder overlegging van de mededeling bedoeld in het voorgaande artikel en de statuten der vennootschap, verzoeken bij beschikking te bepalen, dat en binnen welke termijn tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen kan worden overgegaan.

01-01-1992
11-10-1972
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 474h

1.

Van de verkoop wordt door de deurwaarder proces-verbaal opgemaakt. Tenzij artikel 86c van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, vermeldt het proces-verbaal de gegevens als bedoeld in lid 2 van onderscheidenlijk artikel 86 en artikel 196 van dat wetboek. De koopprijs wordt de deurwaarder ter hand gesteld.

2.

Tenzij artikel 86c van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op de vennootschap van toepassing is, is voor de levering van het aandeel vereist dat het proces-verbaal in Nederland ter registratie is aangeboden. De artikelen 86a en 196a Boek 2 van dat wetboek zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de aan het aandeel verbonden rechten eerst kunnen worden uitgeoefend nadat een afschrift van het proces-verbaal dat ter registratie is aangeboden en de grosse van de door de rechtbank gegeven beschikking aan de vennootschap zijn betekend. Indien het aandelen betreft in vennootschappen als bedoeld in artikel 86c van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek geschiedt de levering door betekening van de akte en grosse voormeld en inlevering van het aandeelbewijs bij de vennootschap.

01-01-1993
01-01-1992
11-10-1972
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 474i

Bij executie van een executoriale titel tot levering van een aandeel zijn artikel 474h, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van het proces-verbaal en de beschikking, bedoeld in het tweede lid, de te executeren titel aan de vennootschap wordt betekend.

01-01-1992

Tweede afdeling. Van executoriaal beslag onder derden

Artikel 475

1.

Het beslag op vorderingen die de geëxecuteerde op derden mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, en op hem toebehorende roerende zaken die onder derden mochten berusten en geen registergoederen zijn, geschiedt bij een exploot van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

  1. een bevel aan de derde om het verschuldigde of de zaken onder zich te houden op straffe van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte;

  2. een vermelding van de naam, voornaam en woonplaats van de executant en de naam en woonplaats van de geëxecuteerde;

  3. een vermelding van de titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, en een opgave van hetgeen de geëxecuteerde krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is;

  4. een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder;

  5. indien het beslag wordt gelegd op de vordering tot betaling van de koopsom van een onroerende zaak, nadat de koop van de zaak is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, op de wijze die is voorgeschreven in artikel 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek: een vermelding dat in weerwil van het beslag de koopsom aan de notaris kan worden betaald;

  6. indien het beslag wordt gelegd op een vordering als bedoeld in artikel 475, eerste lid, die een natuurlijk persoon op een bank als bedoeld in artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht heeft: een vermelding van het bedrag waarop op grond van artikel 475a, vijfde lid, het beslag niet geldig is;

  7. Indien betekening aan het elektronisch adres van de derde-beslagene als bedoeld in het derde lid niet mogelijk is: de reden van deze onmogelijkheid.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 475a

5.

Een beslag als bedoeld in artikel 475, eerste lid, op geldmiddelen die een natuurlijk persoon aanhoudt bij een bank is slechts geldig voor zover het de bedragen genoemd in het eerste lid van artikel 475da gedurende een maand overtreft. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake de uitvoering van dit beslag.

6.

Indien de geëxecuteerde op grond van de basisregistratie personen geen woonadres in Nederland heeft en geen vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland, is een beslag als bedoeld in het vijfde lid slechts geldig voor zover het de helft van de bedragen genoemd in het eerste lid van artikel 475da gedurende een maand overtreft. Indien de geëxecuteerde buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, kan de geëxecuteerde de kantonrechter verzoeken het vijfde lid van toepassing te verklaren.

8.

Op ingevolge artikel 642c in de consignatiekas gestorte bedragen mag geen beslag worden gelegd.

01-01-1992
01-04-1991
01-06-1981
Stb 1981, 111
14029

Artikel 475aa

Indien de deurwaarder gerechtigd is tegen de schuldenaar beslag te leggen, is:

  1. een schuldenaar verplicht aan een deurwaarder desgevraagd op te geven bij welke bank de schuldenaar een betaal- of spaarrekening als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht aanhoudt; en

  2. de deurwaarder bevoegd ten behoeve van het leggen van een beslag

aan een bank te vragen of de schuldenaar bij de bank een betaal- of spaarrekening aanhoudt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. De bank beantwoordt deze vraag onverwijld en stelt de schuldenaar pas in kennis hierover als er beslag is gelegd.

Artikel 475ab

1.

In de artikelen 475a, 475d, 475da, 475db, 475dc, 475e, 475ga, 475gb, 475i en 478 wordt verstaan onder:

2.

In de artikelen 475aa, 475g, 475ga en 475gb wordt onder schuldenaar mede verstaan degene met wie hij in enige gemeenschap van goederen als bedoeld in de eerste afdeling van de zevende titel van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is gehuwd dan wel op die voorwaarden een geregistreerd partnerschap is aangegaan.

34628
samen met
35225

Artikel 475c

1.

Een beslagvrije voet is verbonden aan vorderingen tot periodieke betaling van:

  1. uitkeringen op grond van de Participatiewet;

  2. uitkeringen op grond van overige sociale zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming ook;

  3. uitkeringen of buitengewone pensioenen op grond van een wettelijke regeling voor oorlogsgetroffenen;

  4. de bedragen – onder de naam bezoldiging of welke benaming ook – waarop een ambtenaar als bedoeld in artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 als zodanig uit hoofde van zijn dienstbetrekking aanspraak heeft alsmede de bedragen – onder de benaming pensioen, wachtgeld, uitkering of welke benaming ook – waarop een gewezen ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn vroegere dienstbetrekking aanspraak heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden aanspraak hebben;

  5. loon;

  6. uitkeringen uit levens-, invaliditeits-, ongevallen- of ziekengeldverzekering;

  7. pensioen en lijfrente, waaronder mede worden verstaan uitkeringen ten laste van een lijfrenterekening of ten laste van de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a, vierde en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

  8. inkomstenbelasting begrepen in een voorlopige teruggaaf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  9. uitkeringen tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud;

  10. een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in artikel 1.5 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

t/m 01-01-2017
34555
01-12-1992
01-01-1992
01-04-1991

Artikel 475d

3.

De deurwaarder of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in artikel 478 de coördinerende deurwaarder, stelt de beslagvrije voet opnieuw vast, indien:

  1. de termijn, bedoeld in het tweede lid, verstrijkt;

  2. hij met redenen omkleed wordt geïnformeerd over een structurele wijziging van omstandigheden die van belang is voor de vaststelling van de beslagvrije voet.

4.

De deurwaarder of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in artikel 478 de coördinerende deurwaarder, is bevoegd de beslagvrije voet opnieuw vast te stellen indien hij op andere wijze dan bedoeld in het derde lid, onderdeel b, bekend raakt met feiten of omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de beslagvrije voet.

5.

Indien toepassing van het derde of vierde lid leidt tot een verhoging van de beslagvrije voet, past de deurwaarder of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in artikel 478 de coördinerende deurwaarder, deze verhoging onverwijld toe vanaf het moment dat de verplichting tot het opnieuw vaststellen van de beslagvrije voet is ontstaan, onderscheidenlijk vanaf het moment dat hij bekend is geraakt met de feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de hoogte van de beslagvrije voet.

33771
samen met
34887
t/m 01-01-2012
33277
t/m 01-07-2002
28777
t/m 01-04-1998
25913
01-01-1996
01-04-1991

Artikel 475da

2.

Met inachtneming van het eerste lid bedraagt de beslagvrije voet:

  1. voor een alleenstaande: (95% x A) + (((C – D) / 12) x E) + ((F x C2 + G x C) – J);

  2. voor een alleenstaande ouder: (95% x A) + (((C – D) / 12) x E) + ((H x C2 + I x C) – J) + (((C – D) / 12) x K);

  3. voor gehuwden zonder kinderen: (95% x B) + (((C – D) / 12) x E) + ((H x C2 + I x C) – J);

  4. voor gehuwden met een of meer kinderen: (95% x B) + (((C – D) / 12) x E) + ((H x C2 + I x C) – J) + (((C – (D+L)) / 12) x K).

Hierbij staat:

4.

Indien de geëxecuteerde op grond van de basisregistratie personen geen woonadres in Nederland heeft, bedraagt de beslagvrije voet 47,5% van de norm, genoemd in artikel 21, onderdeel b, van de Participatiewet. Indien de geëxecuteerde buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, wordt de beslagvrije voet vermenigvuldigd met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde factor.

5.

Indien de geëxecuteerde woonkosten heeft die ten minste 10% meer bedragen dan de in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag opgenomen rekenhuur, wordt de beslagvrije voet op verzoek van de geëxecuteerde voor de duur dat de geëxecuteerde deze woonkosten heeft, doch ten hoogste gedurende een bij ministeriële regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te bepalen termijn, verhoogd met het bedrag waarmee de woonkosten de eerder genoemde rekenhuur vermeerderd met 10% ophoging overstijgen. Indien de geëxecuteerde gehuwd is, wordt dit verzoek gehonoreerd, voor zover de niet onder beslag liggende inkomsten van de echtgenoot onvoldoende zijn om de hogere woonkosten te betalen.

7.

Indien de geëxecuteerde eigenaar is van een door hemzelf bewoonde woning of huurder van een door hemzelf bewoonde woning die niet voldoet aan artikel 11 van de Wet op de huurtoeslag en hij een belastbaar inkomen heeft dat lager is dan € 39.376,66, indien de geëxecuteerde alleenstaand is, of € 50.748,55, indien de geëxecuteerde een meerpersoonshuishouden heeft, wordt de beslagvrije voet op verzoek van de geëxecuteerde verhoogd met een bedrag waarvan de wijze van vaststelling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. Indien de geëxecuteerde gehuwd is, wordt onder belastbaar inkomen als bedoeld in de vorige zin tevens verstaan het belastbaar inkomen van de echtgenoot. In geval een huurder verzoekt om verhoging van de beslagvrije voet kan de beslaglegger van de geëxecuteerde verlangen dat een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen bewijsstuk overgelegd wordt.

9.

De bedragen, genoemd in het zevende lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari gewijzigd door (F x C2 + G x C) en (H x C2 + I x C) gelijk te stellen aan de maximale normhuur. Daarbij staan C, F, G, H en I voor de normen, bedoeld in het tweede lid, en wordt de maximale normhuur berekend door het bedrag van de kwaliteitskortingsgrens, genoemd in artikel 20, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, te vermeerderen met het in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van die wet bedoelde percentage van het verschil tussen het bedrag van de kwaliteitskortingsgrens en de aftoppingsgrens, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van die wet, vermeerderd met het in artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van die wet bedoelde percentage van het verschil tussen het bedrag van de aftoppingsgrens en het bedrag van de rekenhuur, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van die wet. De gewijzigde bedragen worden door of namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid medegedeeld in de Staatscourant.

2025-0000238548
2025-0000098159
2024-0000934371
2024-0000140984
2023-0000585324
2023-0000261806
2022-0000191791
t/m 01-01-2022
36216
2022-0000119440
2021-0000161500
2021-0000075408
2021-0000004037

Artikel 475db

1.

De beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475da en 475e, tweede lid, wordt in de onderstaande volgorde verminderd met:

  1. de in artikel 475c, eerste lid, onderdelen a tot en met i, genoemde niet onder beslag liggende vorderingen tot periodieke betaling inclusief vakantiebijslag van de echtgenoot van de geëxecuteerde, tot ten hoogste de helft van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475da en 475e, tweede lid;

  2. de in artikel 475c, eerste lid, onderdelen a tot en met i, genoemde niet onder beslag liggende vorderingen tot periodieke betaling inclusief vakantiebijslag van de geëxecuteerde;

  3. de over het voordeel bedoeld in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 verschuldigde loonbelasting ten gevolge van het voor privédoeleinden aan de geëxecuteerde ter beschikking gestelde vervoermiddel, indien de geëxecuteerde heeft nagelaten om de inhouding bij aanvang van het eerste kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het beslag is gelegd te doen eindigen.

Artikel 475dc

1.

In afwijking van de artikelen 475da en 475db bedraagt de beslagvrije voet 95% van het maandelijkse inkomen inclusief vakantiebijslag dat de geëxecuteerde op basis van zijn vorderingen tot periodieke betaling, genoemd in artikel 475c, eerste lid, onderdelen a tot en met i, ontvangt, indien toepassing van de artikelen 475da en 475db leidt tot een beslagvrije voet die hoger is dan 95% van het maandelijkse inkomen inclusief vakantiebijslag.

2.

Indien sprake is van beslag op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen uitkeringen geeft de deurwaarder of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in artikel 478 de coördinerende deurwaarder, bij toepassing van het eerste lid aan de derde-beslagene op dat de beslagvrijevoet 95% bedraagt van de voor de geëxecuteerde geldende bijstandsnorm inclusief vakantiebijslag, verminderd met het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet.

Artikel 475fa

Indien de toepassing van de artikelen 475da tot en met 475e leidt tot een kennelijk onevenredige hardheid als gevolg van een omstandigheid waarmee geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de beslagvrije voet, kan de kantonrechter op verzoek van de geëxecuteerde de beslagvrije voet voor een door hem te bepalen termijn verhogen.

Artikel 475g

3.

Bij het antwoord, bedoeld in het tweede lid, wordt ten aanzien van de voor beslag vatbare periodieke betalingen informatie verstrekt over:

  1. de termijn van de betalingen;

  2. de omvang van de betalingen na aftrek van de inhoudingen, bedoeld in artikel 475a, tweede lid;

  3. reeds gelegde beslagen alsmede vorderingen als bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet 1990, met vermelding van de deurwaarder die beslag heeft gelegd of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in artikel 478 de coördinerende deurwaarder;

  4. reeds lopende verrekeningen, waarbij indien de verrekening ziet op een vordering tot periodieke betaling genoemd in artikel 475c, eerste lid, onderdeel j, in ieder geval het maandelijks geïnde bedrag wordt vermeld;

  5. de loonbelasting over het in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 bedoelde voordeel ten gevolge van het tevens voor privédoeleinden ter beschikking stellen van vervoermiddelen aan de schuldenaar.

01-04-1991

Artikel 475ga

1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verstrekt op verzoek van een deurwaarder die gerechtigd is ten laste van een schuldenaar beslag te leggen, ten behoeve van het leggen van dit beslag gegevens die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten aanzien van de schuldenaar verwerkt in de polisadministratie, voor zover die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de beslagvrije voet, en de aard van de periodieke inkomsten van de schuldenaar en overige gegevens die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de administratie worden verwerkt, voor zover die vereist zijn voor het vaststellen van de identiteit van degene die periodieke betalingen aan de schuldenaar verricht. Indien de schuldenaar gehuwd is, verstrekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op gelijke wijze gegevens met betrekking tot de hoogte van het belastbaar inkomen van de echtgenoot van de schuldenaar.

Artikel 475gb

De deurwaarder is bevoegd het burgerservicenummer van de schuldenaar en zijn echtgenoot te gebruiken voor zover dit noodzakelijk is voor:

  1. het identificeren van de schuldenaar bij het leggen van beslag onder personen of instanties, bedoeld in de artikelen 475g en 475ga, die zelf gerechtigd zijn tot het gebruik van het burgerservicenummer;

  2. het verkrijgen van de in de artikelen 475g en 475ga bedoelde gegevens bij de in deze artikelen genoemde personen en instanties, die zelf gerechtigd zijn tot het gebruik van het burgerservicenummer;

  3. het geven van kennisgevingen die strekken tot uitvoering van zijn wettelijke taken in het kader van het beslag.

Artikel 475i

2.

Bij een beslag op een vordering tot periodieke betaling als bedoeld in artikel 475c, eerste lid, wordt de beslagvrije voet uiterlijk ten tijde van het betekenen van het beslagexploot schriftelijk medegedeeld aan de geëxecuteerde volgens een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen model onder vermelding van de gegevens waarop de vaststelling van de beslagvrije voet is gebaseerd en de wijze waarop de beslagvrije voet is berekend. Bij de mededeling wordt de geëxecuteerde tevens gewezen op de verplichting van artikel 475g, eerste lid, en de mogelijkheden op grond van de artikelen 475da, vijfde lid en zevende, en 475e, eerste lid, om de beslagvrije voet op verzoek te verhogen.

3.

Indien de geëxecuteerde binnen vier weken na ontvangst van de door de deurwaarder of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in artikel 478 de coördinerende deurwaarder, afgegeven mededeling omstandigheden meldt die de beslagvrije voet verhogen, wordt hiermee rekening gehouden vanaf het moment van beslaglegging.

4.

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij de mededeling van een op grond van artikel 475d, derde en vierde lid, opnieuw vastgestelde beslagvrije voet, met dien verstande dat, indien de schuldenaar binnen vier weken na de mededeling van de opnieuw vastgestelde beslagvrije voet omstandigheden meldt die de beslagvrije voet verhogen, hiermee rekening wordt gehouden vanaf het moment dat de beslagvrije voet opnieuw is vastgesteld.

01-01-1992

Artikel 476a

01-01-1992

Artikel 477

2.

Verschuldigde geldsommen worden uitbetaald tot het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, verminderd met de kosten van de in artikel 476b, tweede lid, bedoelde afschriften en vermeerderd met de door de deurwaarder aan de derde-beslagene op te geven kosten van executie, die door de deurwaarder uit het betaalde worden voldaan. Verschuldigde goederen of af te geven zaken mogen onder de derde worden gelaten, totdat zij voor de verdere afwikkeling van de executie nodig blijken.

01-01-1992
01-12-1964
06-06-1877
Stb 1877, 138
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 477a

4.

Indien de derde-beslagene, die overeenkomstig artikel 476b verklaring heeft gedaan, zijn in artikel 477 bedoelde verplichting tot betaling of afgifte niet nakomt, wordt hij op vordering van de executant veroordeeld tot nakoming van deze verplichting, alsmede tot de vervangende schadevergoeding, die hij in geval van niet-nakoming daarvan verschuldigd zal zijn.

01-01-1992

Artikel 478

2.

Indien beslag is gelegd op een vordering als bedoeld in artikel 475c, eerste lid, en het oudste executoriale beslag is gelegd door een beslaglegger die bevoegd is zonder tussenkomst van een deurwaarder beslag te leggen voor een hoger bevoorrechte vordering dan de daaropvolgende executoriale beslagen, int in afwijking van het eerste lid deze beslaglegger. Deze beslaglegger treedt dan op als ware hij coördinerende deurwaarder. De aan de coördinerende deurwaarder toegekende bevoegdheden en verplichtingen komen in dat geval toe aan deze beslaglegger.

01-03-1993
01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Tweede afdeling A. Van executoriaal beslag onder derden in zaken betreffende levensonderhoud en uitkering voor de huishouding

Artikel 479b

Het beslag tot verhaal van een uitkering tot levensonderhoud, krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of bij wijze van voorlopige voorziening in verband met een geding tot echtscheiding, tot scheiding van tafel en bed, onderscheidenlijk tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap verschuldigd, daaronder begrepen het verschuldigde voor verzorging en opvoeding van een minderjarige alsmede het beslag tot verhaal van een uitkering krachtens artikel 84, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek door de ene partner aan de andere partner verschuldigd, worden, indien de beslagen gelegd worden op loon of andere periodieke uitkeringen, welke de geëxecuteerde van een derde te vorderen mocht hebben, gelegd en vervolgd op de wijze en met de gevolgen in de vorige afdeling bepaald, voor zover daarvan in deze afdeling niet is afgeweken.

01-01-1992
01-01-1988
01-01-1970
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25
01-07-1934
Stb 1934, 253

Artikel 479c [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-04-1991
01-06-1981
Stb 1981, 111
14029
01-07-1934
Stb 1934, 253

Artikel 479d

De geëxecuteerde kan te allen tijde overeenkomstig artikel 438 verzet instellen op grond dat de beslissing over de uitkering inmiddels is gewijzigd of ingetrokken of dat het recht op uitkering niet langer bestaat.

01-01-1992
01-07-1934
Stb 1934, 253

Artikel 479g

1.

Indien de raad voor de kinderbescherming executant is dan wel, indien ingevolge het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen is belast met de invordering van onderhoudsgelden, kan hij dit beslag leggen hetzij op de gewone wijze, hetzij door van de beschikking in afschrift mededeling te doen aan de derde-beslagene. In het laatste geval zendt deze die schriftelijke kennisgeving voor "gezien" getekend aan de raad voor de kinderbescherming of het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen terug. Eerst door deze terugzending is het beslag voltooid. Indien het beslag op deze wijze wordt gelegd, komen de in de artikelen 475g, 475ga, 475gb en 475i, tweede tot en met vijfde lid, aan de deurwaarder toegekende bevoegdheden en verplichtingen gelijkelijk toe aan de raad voor de kinderbescherming of het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

01-03-1994
01-01-1993
01-01-1992
01-07-1934
Stb 1934, 253

Artikel 479n

1.

De executant is verplicht bij deurwaardersexploot aan de geëxecuteerde mededeling te doen welke van de in artikel 479m, eerste lid, bedoelde rechten hij wil uitoefenen. Het exploot houdt op straffe van nietigheid de vermelding in van de mogelijkheid als bedoeld in artikel 479p tot het vorderen van een verbod van de afkoop van de verzekering of de wijziging van de begunstiging, alsmede van de daarvoor gestelde termijn. Hij doet een afschrift van het exploot toekomen aan de verzekeraar.

3.

De executant kan de bevoegdheden als bedoeld in artikel 479m, eerste lid, uitoefenen zodra twee weken zijn verstreken na de dag waarop het exploot bedoeld in het eerste lid is uitgebracht. Heeft de geëxecuteerde een mededeling gedaan als bedoeld in het tweede lid, dan kan de executant de levensverzekering evenwel eerst doen afkopen zodra vier weken na die mededeling zijn verstreken en de belening niet heeft plaatsgevonden.

Artikel 479r

2.

Eindigt het verzekerde risico door het overlijden van de verzekeringnemer binnen twee weken na de dag waarop het in artikel 479n, eerste lid, bedoelde exploot is uitgebracht, dan kan de executant niet tot wijziging van de begunstiging overgaan tot twee weken nadat hij de begunstigde bij deurwaardersexploot van zijn voornemen tot wijziging van de begunstiging op de hoogte heeft gesteld. Hij doet een afschrift van het exploot toekomen aan de verzekeraar. De verzekeraar is verplicht aan de executant de nodige gegevens te verschaffen om de begunstigde te kunnen bereiken. Artikel 479n, eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. De eerste volzin mist toepassing wanneer de begunstigde reeds een vordering als bedoeld in artikel 479p, eerste lid, heeft ingesteld.

3.

Heeft de executant nog niet overeenkomstig artikel 479n, eerste lid, of overeenkomstig het tweede lid aan de geëxecuteerde, onderscheidenlijk de begunstigde, mededeling gedaan van zijn voornemen tot wijziging van de begunstiging, dan vervalt de mogelijkheid om de begunstiging te wijzigen, indien de executant de begunstigde niet binnen een door hem aan de executant gestelde termijn van tenminste vier weken bij deurwaardersexploot van zijn voornemen tot wijziging op de hoogte heeft gesteld.

Artikel 485a

2.

Heeft een schuldeiser als bedoeld in artikel 482, tweede lid, de daar bedoelde termijn niet in acht genomen of niet op de in artikel 484 bedoelde dag tegenspraak gedaan, dan zal hij slechts in zijn tegenspraak kunnen worden ontvangen, indien hij daarbij een redelijk belang heeft en hij de daardoor veroorzaakte kosten en schade voor zijn rekening neemt en deze tot een door de rechter-commissaris voorlopig te begroten bedrag onverwijld stort bij de bewaarder van de opbrengst.

01-01-1992

Artikel 489

Nadat op het geschil bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist of het geschil krachtens artikel 486, derde lid, is geëindigd, legt de meest gerede partij de uitspraak of een uittreksel uit het audiëntieblad waaruit van het niet verschijnen blijkt, aan de rechter-commissaris over. Deze sluit zijn proces-verbaal en beveelt de uitgifte van bevelschriften tot betaling overeenkomstig artikel 485.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 490b

1.

Indien een pandhouder krachtens zijn pandrecht heeft geëxecuteerd en er beperkt gerechtigden of beslagleggers zijn als bedoeld in de derde volzin van artikel 253, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, wordt het daar bedoelde overschot dat van de netto-opbrengst na afhouding van het aan de pandhouder krachtens zijn rang toekomende is overgebleven, aan hen uitgekeerd overeenkomstig hetgeen zij en de pandgever omtrent de verdeling daarvan zijn overeengekomen.

2.

Is op het tijdstip dat de pandhouder tot uitkering kan overgaan, nog geen overeenstemming omtrent de verdeling bereikt, dan stort de pandhouder de opbrengst tot tenminste het bedrag van het overschot onverwijld bij een bewaarder met overeenkomstige toepassing van artikel 445 en kan de meest gerede partij, onder wie de pandhouder zelf, een rangregeling verzoeken overeenkomstig de voorgaande artikelen van deze afdeling. Indien de pandhouder zelf aan de eisen van artikel 445 voldoet, kan hij zichzelf als bewaarder aanwijzen.

3.

De rangregeling betreft het overeenkomstig het tweede lid in bewaring gegeven bedrag, mits de pandhouder binnen de in artikel 482 bedoelde termijn aan de rechter-commissaris de stukken ter hand stelt, waaruit van de verantwoording van het gestorte bedrag blijkt en binnen de in artikel 484 bedoelde termijn geen tegenspraak ter zake van het door de pandhouder afgehouden bedrag wordt gedaan.

5.

Heeft de pandhouder overeenkomstig artikel 482 rangschikking van zijn vordering gevorderd of blijkt hij na tegenspraak overeenkomstig het vorige lid te veel te hebben afgehouden, dan draagt hij in de kosten van de rangregeling bij. In andere gevallen worden de kosten van de in de rangregeling betrokken pandhouder hem vergoed door degenen die zijn verantwoording betwist hebben. Desverlangd geeft de rechter-commissaris een desbetreffend bevelschrift in executoriale vorm uit.

01-01-1992
01-10-1936
Stb 1936, 202

Vierde afdeling. Van executie tot afgifte van roerende zaken, die geen registergoederen zijn

Artikel 491

1.

De executie tot afgifte van een roerende zaak die geen registergoed is, vangt aan met een bevel als bedoeld in artikel 439, dat van overeenkomstige toepassing is, behoudens dat de in het eerste lid van dat artikel bedoelde termijn niet behoeft te worden in acht genomen ter zake van de executie van vonnissen en beschikkingen, die uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard.

3.

De artikelen 440 en 443-444b zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 444b de waarde van de zaak in de plaats treedt van het bedrag van de vordering waarvoor beslag is gelegd.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 492

1.

Ter inleiding van de toepassing van artikel 491 kan de deurwaarder op de zaak beslag tot verkrijging van afgifte leggen. De in artikel 439, eerste lid, bedoelde termijn behoeft daarbij niet in acht te worden genomen.

2.

Indien de deurwaarder bevindt dat de zaak reeds in beslag is genomen, mist artikel 491 toepassing, maar kan de deurwaarder daarop overeenkomstig het eerste lid eveneens beslag leggen. Hij is verplicht dit beslag onverwijld te betekenen aan de deurwaarder die het reeds liggende beslag heeft gelegd.

3.

De artikelen 440, 443-446, 451, 453a en 455 zijn van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de volgende bepalingen van deze afdeling. Voor de toepassing van artikel 444b treedt de waarde van de in beslag te nemen zaak in de plaats van het bedrag van de vordering waarvoor het beslag is gelegd. De artikelen 445 en 446 worden niet toegepast, zolang de zaak zich reeds in gerechtelijke bewaring bevindt. Artikel 455 is alleen van toepassing voor zover het recht op afgifte mede de daar bedoelde baten betreft.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 495

2.

Betreft het recht op afgifte een toonder- of orderpapier en is aan het daaruit voortvloeiende recht stemrecht verbonden, dan is artikel 474ba van overeenkomstige toepassing, tenzij het stemrecht blijkens de executoriale titel aan de executant toekomt.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 500

Tot afgifte van een zaak die zich onder een derde bevindt, kan ook derdenbeslag gelegd worden. De artikelen 475-479 zijn van overeenkomstige toepassing. Het exploot van beslaglegging houdt in om de afgifte van welke zaak of zaken het gaat. De verklaring van de derde, als bedoeld in artikel 476a, betreft uitsluitend deze zaak of zaken.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 30

Artikel 505

1.

Het proces-verbaal van inbeslagneming zal in de in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers worden ingeschreven. Een afschrift van het proces-verbaal zal op straffe van nietigheid van het beslag niet later dan drie dagen na de inschrijving aan de geëxecuteerde worden betekend.

01-05-1994
01-01-1992
01-11-1938
Stb 1937, 205
19
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-09-1896
Stb 1896, 9
06-06-1877
Stb 1877, 138
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 507

2.

Artikel 451 is, mede ter zake van de inoogsting, van toepassing.

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 507b

1.

Een beslag gelegd op een onroerende zaak nadat de koop van de zaak is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, op de wijze die is voorgeschreven in artikel 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, rust na de levering van de zaak op het deel van de koopprijs dat de notaris ten behoeve van de verkoper onder zich houdt, op voorwaarde dat de levering heeft plaatsgevonden binnen de termijn genoemd in lid 4 van artikel 3 van Boek 7.

2.

De artikelen 475i, eerste lid, 476–478 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 515

2.

Hij deelt schriftelijk dag, uur en plaats van de verkoop mede aan de geëxecuteerde en aan alle in artikel 551 bedoelde beperkt gerechtigden en schuldeisers, een en ander aan de hand van een door de bewaarder van het kadaster en de openbare registers af te geven kadastraal uittreksel inzake hypotheken en beslagen als bedoeld in artikel 100, eerste lid, van de Kadasterwet, waarin de inschrijvingen en de boekingen in de registers van voorlopige aantekeningen worden vermeld, die daartoe van belang zijn.

01-01-1992
01-11-1938
Stb 1937, 205
19
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 527

Schiet de koper tekort in de nakoming van de koopovereenkomst, dan mag de executant ten laste van de koper de verkochte zaak met inachtneming van de artikelen 514 en volgende wederom verkopen. De executant is tot deze verkoop gehouden, indien een van de bij de opbrengst direct belanghebbenden dit verlangt.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 530 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 533 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 536 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 537a [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1936
Stb 1935, 685
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 540

Indien de verkoop door het verzet is vertraagd, kan deze niet plaatsvinden dan nadat de in artikel 516 bedoelde bekendmakingen opnieuw hebben plaatsgevonden en de daar bedoelde termijn opnieuw is in acht genomen.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 542 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 546

De artikelen 514, tweede lid, tweede zin, en derde lid, 515-520, 522, 523, 524a, 525, 526, tweede lid, en 527-529 zijn ook bij executie door een hypotheekhouder van toepassing met inachtneming van de volgende artikelen van deze afdeling.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 547

1.

De in artikel 515 bedoelde termijn loopt vanaf de dag van de in artikel 544 bedoelde aanzegging aan de hypotheekgever.

2.

In de in artikel 516 bedoelde aankondiging dient tevens te zijn opgenomen dat tot veertien dagen vóór de voor de verkoop bepaalde dag ondershands op de te executeren zaken kan worden geboden bij een aan de notaris gerichte schriftelijke verklaring.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 548

3.

Bij verzoekschrift wordt voorts een lijst overgelegd van de in artikel 544 bedoelde belanghebbenden. De griffier deelt hun onverwijld mede dat het verzoek is gedaan en dat zij op hun verlangen door de voorzieningenrechter kunnen worden gehoord.

4.

Door tijdige indiening van het verzoek vervalt de voor de openbare verkoop bepaalde dag. Wordt het verzoek afgewezen, dan zal de rechter tevens de dag bepalen waarop de openbare verkoop zal plaatsvinden. Deze verkoop zal tenminste veertien dagen tevoren op de in artikel 516 bedoelde wijze worden bekendgemaakt. De voorzieningenrechter kan de verzoeker in de kosten van de bekendmaking veroordelen, onverminderd diens verplichting de door het verzoek ontstane schade te vergoeden, zo daartoe gronden zijn.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 549

1.

Een verzoekschrift van de hypotheekhouder tot het verkrijgen van het verlof, bedoeld in artikel 264 lid 5 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek kan, behalve door een advocaat, ook door een notaris worden ingediend, in welk geval diens kantoor als gekozen woonplaats van de verzoeker geldt. Bij het verzoekschrift wordt overgelegd een niet langer dan één maand tevoren aan de huurder of, als de woonruimte in zijn plaats door een onderhuurder wordt bewoond, aan de onderhuurder door een deurwaarder uitgebracht exploit waarbij:

  1. aan de huurder of onderhuurder wordt betekend de aanzegging of de overneming van de executie door de hypotheekhouder bedoeld in artikel 544;

  2. aan de huurder of onderhuurder wordt aangezegd dat het beding jegens de huurder zal worden ingeroepen.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 550

1.

In het geval, bedoeld in het derde lid van artikel 267a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, vindt de bezichtiging plaats door tussenkomst van de deurwaarder, die hiertoe bevoegd is tot het binnentreden van de woning zonder toestemming van de bewoner en die hiervan proces-verbaal opmaakt.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 31

Vijfde afdeling. Van de verdeling van de opbrengst van de executie

Artikel 551

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 552

1.

Een gerechtelijke rangregeling, bedoeld in het vorige artikel en in artikel 271 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, wordt verzocht door aan de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen welker rechtsgebied zich de geëxecuteerde zaken geheel of grotendeels bevinden, de benoeming van een rechter-commissaris te verzoeken, te wiens overstaan de verdeling zal plaatsvinden. Artikel 282a is van toepassing.

2.

Bij het verzoekschrift wordt gevoegd een door de bewaarder van het kadaster en de openbare registers af te geven kadastraal uittreksel inzake hypotheken en beslagen als bedoeld in artikel 100, eerste lid, van de Kadasterwet, waarin de inschrijvingen en de boekingen in het register van voorlopige aantekeningen worden vermeld, die voor de aanwijzing van de in artikel 551 bedoelde belanghebbenden van belang zijn, alsmede een door de notaris af te geven staat van de schuldeisers die beslag hebben gelegd op de opbrengst van de executie of hun vordering ontlenen aan artikel 264, lid 7 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 557a

01-01-1992

Artikel 558

Deze afdeling is mede van toepassing, indien een gehele of gedeeltelijke al of niet tijdelijke ontruiming nodig is, omdat:

  1. de executant overeenkomstig artikel 299 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is gemachtigd ten aanzien van een onroerende zaak zelf datgene te verrichten waartoe nakoming van een jegens hem bestaande verplichting zou hebben geleid; of

  2. de executant krachtens de door hem verkregen uitspraak gerechtigd is werkzaamheden op of aan een onroerende zaak te verrichten en degene tegen wie de tenuitvoerlegging zich richt, gehouden is dit te gedogen.

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 559 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 31

Artikel 565

2.

In het proces-verbaal moet de executant tot het einde van de executie woonplaats kiezen in Nederland:

  1. in geval in het proces-verbaal een notaris wordt aangewezen ten overstaan van wie de verkoop met toepassing van artikel 570 zal plaatsvinden: bij die notaris of bij een advocaat;

  2. in geval het voornemen bestaat de verkoop met toepassing van artikel 575 te doen plaats vinden voor de rechtbank: bij een advocaat;

  3. in geval de verkoop dient plaats te vinden met toepassing van artikel 576: bij de deurwaarder of bij een advocaat.

5.

Artikel 435 lid 3 is niet van toepassing.

01-01-1992
01-04-1991
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 567

Een inbeslagneming van schepen die niet te boek staan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, heeft tot gevolg dat een vervreemding, bezwaring, onderbewindstelling, verhuring of vervrachting, totstandgekomen na de in artikel 565, derde lid, bedoelde betekening, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen.

01-01-1992
01-04-1991
01-01-1897
Stb 1896, 103
06-06-1877
Stb 1877, 138
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 568

Indien op een in beslag genomen schip dat te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, een of meer hypotheken rusten, zijn de artikelen 508 en 509 van overeenkomstige toepassing.

01-01-1992
01-04-1991
01-11-1952
Stb 1939, 201
18
01-02-1927
Stb 1924, 573
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 570

2.

In geval van verkoop ten overstaan van een notaris zijn de artikelen 514, tweede en derde lid, 515, 517, tweede lid, 518, 519, eerste lid, 523, 525, 528, 529 en 538 tot en met 540 van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in de volgende bepalingen van deze afdeling niet wordt afgeweken.

3.

Artikel 517, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de verwijzing naar de artikelen 524a en 525 lid 4. Voorts legt de notaris een exemplaar van de veilingvoorwaarden te zijnen kantore neer ter inzage voor het publiek in plaats van plaatsing van de veilingvoorwaarden op de in artikel 516, eerste lid, bedoelde website of websites.

4.

In afwijking van artikel 525 zal de geëxecuteerde op enkel vertoon van het proces-verbaal tot ontruiming worden genoodzaakt op de wijze bepaald bij de artikelen 556 en 557.

01-01-1992
01-04-1991
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 571

3.

Geldt het de verkoop van een buitenlands zeeschip of van een binnenschip dat teboekstaat in een register als genoemd in artikel 781 onder d van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel van een in enig soortgelijk buitenlands register teboekstaand binnenschip, dan wordt in plaats van een termijn van veertien dagen in acht genomen de door de voorzieningenrechter van de rechtbank te bepalen termijn.

4.

Het in het derde lid bepaalde geldt eveneens, indien het de verkoop betreft van een binnenschip, dat niet in een der in artikel 781 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde registers, noch in enig ander soortgelijk buitenlands register teboekstaat en dat een vrachtschip is van 20 of meer tonnen laadvermogen dan wel een ander binnenschip is met 10 of meer kubieke meters verplaatsing, zijnde de in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing tussen het vlak van inzinking van het lege binnenschip in zoet water en het vlak van de grootste toegelaten diepgang.

01-01-1992
01-04-1991
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 572

De in artikel 571 bedoelde aanplakkingen en aankondigingen moeten inhouden:

  1. naar gelang de verkoop zal plaatsvinden met toepassing van artikel 570, 575 of 576 de naam van de notaris ten overstaan van wie de verkoop zal geschieden, de rechtbank voor welke de verkoop zal plaatsvinden of de naam van de deurwaarder die met de verkoop is belast;

  2. de voornaam, naam en woonplaats van de executant, alsmede de door deze met inachtneming van artikel 565, tweede lid gekozen woonplaats;

  3. de titel uit hoofde waarvan de verkoop plaatsvindt, en het bedrag dat krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is;

  4. de naam en de woonplaats van de eigenaar of de boekhouder van het in beslag genomen schip, indien een en ander bekend is, alsmede van hem jegens wie de onder c bedoelde titel luidt, indien deze een ander is dan de eigenaar;

  5. de naam van het schip;

  6. de scheepsruimte;

  7. de plaats waar het schip zich bevindt;

  8. de plaats, de dag en het uur, waarop de verkoop zal plaatshebben.

01-01-1992
01-04-1991
01-11-1952
Stb 1939, 201
18
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 574

In het in artikel 573 bedoelde geval is artikel 525, eerste en tweede lid, niet van toepassing, en geschiedt de levering met toepassing van de regels die ter zake van levering van een schip van de betreffende soort in acht dienen te worden genomen.

01-01-1992
01-04-1991
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 575

2.

De verkoop kan, onverminderd de in artikel 571 voorgeschreven termijn, niet plaats vinden voordat dertig dagen zijn verstreken nadat de executant ter griffie heeft ingediend:

  1. de veilingvoorwaarden;

  2. een verklaring van de deurwaarder of van een advocaat dat aan de in artikel 571, eerste lid, voorgeschreven aanplakkingen en aankondigingen is voldaan, waarbij exemplaren daarvan zijn gevoegd;

  3. een door een advocaat opgestelde en ondertekende lijst van de bekende rechthebbenden en beslagleggers op het schip.

5.

De verkoop geschiedt eerst bij opbod en vervolgens bij afmijning. Met betrekking tot de veilingvoorwaarden zijn de artikelen 517, tweede lid, en 518 van overeenkomstige toepassing.

De executant geeft schriftelijk van de verkoop kennis aan de geëxecuteerde en de hem bekende rechthebbenden en beslagleggers.

7.

Artikel 538 is van overeenkomstige toepassing. De dagvaarding waarbij het verzet plaatsvindt, wordt mede aan de griffier betekend. Deze betekening schorst de executie.

01-01-1992
01-04-1991
01-11-1952
Stb 1939, 201
18
01-02-1927
Stb 1924, 573
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 577

1.

De koopprijs wordt gestort in handen van de notaris, de griffier of de deurwaarder, naar gelang de verkoop plaats heeft gevonden met toepassing van artikel 570, 575 of 576, dan wel bij een door de notaris, de griffier of deurwaarder aan te wijzen bewaarder die aan de eisen van artikel 445 voldoet, telkens onverminderd de bevoegdheid van de koper om in afwachting van de betaling voldoende zekerheid te stellen.

2.

Bij gebreke van een zodanige betaling, bewaring of zekerheidsstelling is de executant bevoegd het schip ten laste van de koper met inachtneming van artikel 570 en volgende wederom te verkopen. De executant is tot deze verkoop gehouden, indien een van de bij de opbrengst direct belanghebbenden dit verlangt.

01-01-1992
01-04-1991
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 578

1.

Door betaling van de koopprijs, onderscheidenlijk zekerheidsstelling of in bewaringgeving overeenkomstig artikel 577, eerste lid, wordt het schip bevrijd van de daarop bij voorrang verhaalbare vorderingen en vervallen de daarop gelegde beslagen, alsook de beperkte rechten die niet tegen de verkoper ingeroepen kunnen worden of ter zake waarvan artikel 517, tweede lid, is toegepast.

2.

Ter zake van schepen die teboekstaan in het in artikel 193 van Boek 8 of 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register is artikel 273, tweede en derde lid, van Boek 3, van het Burgerlijk Wetboek, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bevoegd is de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de verkoop heeft plaatsgevonden.

01-01-1992
01-04-1991
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 580

Op de verdeling van de opbrengst zijn de artikelen 551-552 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het in artikel 552, eerste lid, bedoelde verzoek plaatsvindt aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam. Is een schip verkocht als bedoeld in artikel 576, dan zijn de artikelen 480-490a, 490c en 490d van toepassing.

01-01-1992
01-04-1991
01-02-1927
Stb 1924, 573
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 582

2.

De executie geschiedt doordat de deurwaarder het schip, zonodig met overeenkomstige toepassing van de artikelen 556-558, onder zich neemt en afgeeft aan degene die het krachtens de executoriale titel moet ontvangen.

3.

De artikelen 444-444b, 492, eerste, tweede en vierde lid, 497, 499, 500 en 564 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 444b de waarde van het schip in de plaats treedt van de vordering waarvoor het beslag is gelegd.

01-01-1992
01-02-1927
Stb 1924, 573
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 583 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-04-1991
01-11-1952
Stb 1939, 201
18
01-02-1927
Stb 1924, 573
01-10-1838
Stb 1828, 32

Artikel 584f

4.

Hij verwittigt voorts 6 weken voor de voor de verkoop bestemde dag degenen die in de registratie voor luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 92 Kadasterwet of in een verdragsregister, als beperkt gerechtigd of beslaglegger staan vermeld, van de voorgenomen verkoop bij aangetekende brief, alsmede zo mogelijk bij per luchtpost verzonden aangetekende brief, beide gericht naar hun woonplaatsen vermeld in de registratie voor luchtvaartuigen dan wel in het verdragsregister.

01-01-1992

Artikel 584g

De kennisgevingen uit hoofde van artikel 584f derde lid, behelzen:

  1. de voornaam, de naam, en woonplaats van de executant;

  2. de korte vermelding van de titel, uit kracht waarvan hij beslag heeft gelegd;

  3. de vordering, waarvoor het beslag is gelegd;

  4. de door hem in het proces-verbaal gekozen woonplaats;

  5. de veilingvoorwaarden;

  6. de door de rechtbank op grond van artikel 584f tweede lid, gegeven beschikkingen.

01-01-1992

Artikel 584h

Op verzoek van de executant kan de rechtbank ook na het verstrijken van de krachtens artikel 584f, tweede lid onder c, door haar gestelde termijn, nader plaats, dag en uur, waarop de verkoop en de toewijzing zullen plaats hebben, vaststellen alsmede een nadere dag, voor welke de in artikel 584f bedoelde vorderingen bij de rechter-commissaris moeten zijn kenbaar gemaakt. De rechtbank neemt bij deze nadere vaststelling, welke zij slechts éénmaal kan verrichten, de termijnen, vermeld in artikel 584f, in acht en stelt overigens die voorwaarden, welke haar dienstig voorkomen. De executant vervult de formaliteiten, vermeld in artikel 584f leden 3 en 4 en in artikel 584g.

01-01-1992

Artikel 584i

1.

Na het verstrijken van de krachtens artikel 584f, tweede lid onder c of 584h door de rechtbank gestelde termijn maakt de rechter-commissaris uit de ingediende beweringen een staat op van de in artikel 584f tweede lid, bedoelde rechten en vorderingen.

2.

De artikelen 483a-490a 490c en 490d zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover uit de volgende artikelen van deze afdeling niet anders voortvloeit.

01-01-1992

Artikel 584n

1.

De koopprijs wordt binnen twee dagen voldaan in handen van de griffier van de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verkoop is geschied dan wel bij een door de griffier aan te wijzen bewaarder die aan de eisen van artikel 445 voldoet. De griffier voldoet daaruit op last van de rechter-commissaris de kosten van de executie die in het gezamenlijk belang van de schuldeisers zijn gemaakt en keert de netto-opbrengst uit overeenkomstig de door de rechter-commissaris opgestelde lijst, zodra deze gesloten is.

01-01-1992

Vijfde titel. Van lijfsdwang en de tenuitvoerlegging van lijfsdwang en van dwangsom

Eerste afdeling. Lijfsdwang

Artikel 585

De rechter kan op verlangen van de schuldeiser de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaan van:

  1. vonnissen en beschikkingen, voor zover zij een veroordeling tot iets anders dan het betalen van geld inhouden;

  2. vonnissen, beschikkingen en authentieke akten waarbij een uitkering tot levensonderhoud, krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd, daaronder begrepen het verschuldigde voor verzorging en opvoeding van een minderjarige en voor levensonderhoud en studie van een meerderjarige die de leeftijd van een en twintig jaren niet heeft bereikt, is bevolen of toegezegd, alsmede beschikkingen waarbij een uitkering krachtens artikel 84, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek door de ene echtgenoot of geregistreerde partner aan de andere verschuldigd, is bevolen, en beschikkingen tot verhaal op grond van de Participatiewet.

01-04-1995
24-12-1980
Stb 1980, 616
16130
26-01-1933
Stb 1932, 676
24-03-1910
Stb 1910, 56
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-09-1886
Stb 1884, 94
01-10-1838
Stb 1828, 33

Artikel 587

De rechter verklaart een vonnis, beschikking of akte als bedoeld in artikel 585 slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang, indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt.

26-01-1933
Stb 1932, 676
01-10-1838
Stb 1828, 33

Artikel 598a [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1996
01-08-1992
01-01-1988
01-01-1970
01-01-1965
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-09-1948
Stb 1947, H 412
515

Artikel 598e [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
17-12-1947
Stb 1947, H 412
515

Artikel 598j [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
17-12-1947
Stb 1947, H 412
515

Artikel 607 [Vervallen per 01-01-2002]

15-11-1976
Stb 1976, 230
13781
01-10-1838
Stb 1828, 33

Artikel 609 [Vervallen per 01-01-2002]

15-11-1976
Stb 1976, 230
13781
26-01-1933
Stb 1932, 676
Stb 1932, 676
Stb 1932, 676
01-10-1838
Stb 1828, 33

Artikel 610 [Vervallen per 01-01-2002]

15-11-1976
Stb 1976, 230
13781
26-01-1933
Stb 1932, 676
Stb 1932, 676

Artikel 611 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
17-12-1947
Stb 1947, H 412
515
26-01-1933
Stb 1932, 676
Stb 1932, 676
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 33

Zevende titel. Van het stellen van zekerheid

Artikel 616

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 37

Artikel 618 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 37

Derde Boek. Van rechtspleging van onderscheiden aard

Eerste titel. Van rechtspleging in zaken van verkeersmiddelen en vervoer

Eerste Afdeling. Algemene bepalingen

Artikel 621

Bevoegd tot het kennisnemen van een betwisting, als bedoeld in artikel 168 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, en van verzoeken tot verkoop als bedoeld in afdeling 1 van titel 3 van Boek 8 van dat Wetboek is de rechtbank Rotterdam. Verkoop van het schip geschiedt slechts na verhoor of behoorlijke oproeping van de leden der rederij en de boekhouder, zo er een boekhouder is.

01-01-1992
01-04-1991
01-12-1986
01-10-1971
01-10-1838
Stb 1828, 38

Artikel 622

1.

Indien binnen één maand, nadat de boekhouder aan de leden der rederij kennis heeft gegeven van zijn verlangen als bedoeld in artikel 170 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, tussen hem en alle leden der rederij geen eenstemmigheid is verkregen omtrent de benoeming van de in dat artikel bedoelde deskundigen, zullen deze, in oneven getale, op verzoek van de boekhouder dan wel een lid der rederij, worden benoemd door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.

2.

Indien binnen één maand, nadat een lid der rederij aan de andere leden daarvan kennis heeft gegeven van zijn verlangen als bedoeld in artikel 174 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, tussen hem en die andere leden geen eenstemmigheid is verkregen omtrent de benoeming van de in dat artikel bedoelde deskundigen, zullen deze, in oneven getale, op verzoek van het eerstgenoemde lid der rederij, worden benoemd door de voorzieningenrechter van de in het eerste lid genoemde rechtbank.

01-01-1992
01-04-1991
01-12-1986
06-12-1954
01-10-1838
Stb 1828, 38

Artikel 625

01-04-1991
01-12-1986
01-10-1838
Stb 1828, 38

Artikel 627

De aanwijzing van een derde, als bedoeld in artikel 481 tweede lid en artikel 946 tweede lid van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek of in enig desbetreffend partijbeding, geschiedt ten verzoeke van de meest gerede partij door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.

01-04-1991
01-12-1986
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
06-12-1954
01-10-1838
Stb 1828, 38

Artikel 631

Geschillen naar aanleiding van het stellen, aanvullen of vervangen van zekerheid als bedoeld in de artikelen 30, 69 en 1131 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek worden ten verzoeke van de meest gerede partij beslist door de voorzieningenrechter van de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de aflevering plaatsvindt of moet plaatsvinden. Geschillen aanhangig gemaakt op grond van de artikelen 489 of 954 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek worden beslist door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.

01-04-1991
01-12-1986
01-10-1838
Stb 1828, 38

Artikel 633

1.

Op een verzoek tot gerechtelijk onderzoek als bedoeld in de artikelen 494, 495, 959 en 960 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek wordt beslist door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam. Indien het verzoek gegrond is op artikel 1135 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, wordt op het verzoek beslist door de voorzieningenrechter van de rechtbank in het rechtsgebied waarbinnen de zaken zich bevinden. Deze wijst daarbij hetzij één, hetzij drie deskundigen aan en bepaalt op welke wijze dezen de wederpartij van de verzoeker zullen oproepen bij het onderzoek aanwezig te zijn.

01-04-1991
01-12-1986
01-10-1838
Stb 1828, 38

Artikel 636

3.

Tenzij het een schip betreft dat niet onder artikel 573 valt, wordt het beslag gelegd met toepassing van de regels betreffende conservatoir beslag op roerende zaken in handen van de schuldenaar, met dien verstande dat het verlof voor het leggen van conservatoir beslag mede kan worden verleend door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam. De artikelen 711, eerste lid, 461d en 708, tweede lid, zijn op dit beslag niet van toepassing.

01-01-1992
01-04-1991
01-12-1986
01-10-1838
Stb 1828, 38

Artikel 637

Betreft de zaak een verzoek als bedoeld in afdeling 2 van titel 6 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek of een geschil met betrekking tot de zekerheid als bedoeld in artikel 571 van dat Boek, dan is bevoegd de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.

01-04-1991
01-12-1986
01-10-1838
Stb 1828, 38

Artikel 641a

1.

Ieder der in artikel 638 bedoelde personen, die zich niet met de hem toegezonden, dan wel ter griffie van de rechtbank Rotterdam gedeponeerde dispache kan verenigen, verzoekt deze rechtbank de dispache te herzien. Zo dit nog niet is geschied legt hij een exemplaar der dispache of een uittreksel daarvan ter griffie neer.

01-04-1991

Artikel 641b

1.

Gaat de rechter in het geval van artikel 641 of artikel 641a niet tot homologatie over dan is de dispacheur of een mogelijkerwijs door de rechter aangewezen andere dispacheur verplicht de dispache in overeenstemming met de rechterlijke beslissing te wijzigen, dan wel haar in te trekken. In geval van intrekking wordt, tenzij de rechter anders beslist, de dispache desalniettemin wat betreft honorarium en kosten van de dispacheur gehomologeerd.

2.

Gaat de rechter in het geval van artikel 641 of artikel 641a tot homologatie over, dan zijn zij die de dispache betwistten, hoofdelijk verplicht de belanghebbenden, die niet tot dergelijke betwisting overgingen, de tengevolge van de betwisting geleden schade te vergoeden.

01-04-1991

Artikel 642

Tegen een beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank, gegeven in de gevallen van de artikelen 621 tot en met 641d,met uitzondering van artikel 625, staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang van de wet.

01-04-1991
01-12-1986
01-10-1838
Stb 1828, 38

Tweede Afdeling. Van rechtspleging inzake beperking van aansprakelijkheid van scheepseigenaren

Artikel 642a

1.

Wie op grond van artikel 750, artikel 751, artikel 1060 of artikel 1061 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek een beroep wil doen op beperking van zijn aansprakelijkheid, verzoekt de rechtbank Rotterdam het bedrag of de bedragen vast te stellen waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt (het bedrag van het fonds of de fondsen), en te bevelen dat tot een procedure ter verdeling van een te stellen fonds wordt overgegaan.

Artikel 642b

Wanneer naar aanleiding van hetzelfde voorval meer dan één op eenzelfde schip betrekking hebbend verzoek als bedoeld in artikel 642a is ingediend, beveelt de rechtbank alvorens op deze verzoeken te beslissen, tenzij een verzoeker zich daartegen verzet en dit verzet gegrond is bevonden, de voeging van de zaken op één fonds betrekking hebbend.

Artikel 642c

2.

Bij toewijzing van het verzoek bepaalt de rechtbank met inachtneming van de artikelen 755 en 756 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de in artikel 1065 van dat boek bedoelde algemene maatregel van bestuur het in rekeneenheden uitgedrukte beloop van het fonds of de fondsen. Zij beveelt de verzoeker op een door haar te bepalen dag, die niet later kan liggen dan één maand na de dag der beschikking, fonds te stellen

  1. hetzij door het bedrag van het fonds berekend met inachtneming van de artikelen 755, 756 en 759 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek of van de in artikel 1065 van dat boek bedoelde algemene maatregel van bestuur, vermeerderd met de wettelijke rente ingevolge artikel 757 of die algemene maatregel van bestuur alsmede vermeerderd met een bedrag ter bestrijding van de kosten der procedure in de consignatiekas te storten,

  2. hetzij door op andere door haar bepaalde wijze zekerheid te stellen ten belope van het onder a genoemde bedrag, alsnog vermeerderd met de wettelijke rente daarover van de aanvang van de dag volgende op de dag van deze laatst bedoelde zekerheidsstelling tot de aanvang van de dag waarop de griffier de in artikel 642v bedoelde oproep doet uitgaan.

Artikel 642e

1.

Indien na toewijzing van een op artikel 750 of artikel 751 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek geen der schuldeisers binnen de in artikel 642g genoemde termijn betwist heeft, dat de schuldenaar zijn aansprakelijkheid kan beperken, dan wel omtrent een zodanige betwisting onherroepelijk afwijzend is beslist en een fonds is gesteld ten aanzien waarvan de rechtbank een verklaring als bedoeld in het zesde lid van artikel 642c heeft afgegeven en dat werkelijk ten bate van de schuldeiser beschikbaar is alsmede de schuldeiser zijn vordering op het fonds in rechte geldend kan maken, kan de rechter op verzoek van hem te wiens behoeve het fonds is gesteld de opheffing van beslagen die ter zake van de vorderingen waarvoor het fonds is gesteld, zijn gelegd, dan wel de teruggave van te dier zake gegeven zekerheid bevelen.

4.

Indien ten aanzien van een op artikel 1060 of artikel 1061 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek aan de in het eerste lid gestelde vereisten is voldaan, geeft de rechtbank op een verzoek als in het eerste lid bedoeld een bevel als in dat lid bedoeld.

Artikel 642h

Indien een schuldenaar aantoont, dat hij op een later tijdstip niettegenstaande het eerste lid van artikel 642f gedwongen zou kunnen worden geheel of gedeeltelijk een bedrag te betalen waarvoor hij, als hij dit bedrag vóór de verdeling van het fonds had betaald, op grond van artikel 642j in de rechten van de schuldeiser zou zijn gesubrogeerd, kan de rechter-commissaris gelasten, dat voorlopig een bedrag zal worden terzijde gesteld, dat voldoende is om het de schuldenaar mogelijk te maken op dat latere tijdstip zijn rechten overeenkomstig artikel 642j geldend te maken.

Artikel 642i

De vereffenaar geeft van de beschikkingen genoemd in artikel 642g onverwijld bij aangetekende brief kennis aan de schuldenaar of de schuldenaren en de door dezen opgegeven schuldeisers. Bovendien doet hij, indien de rechter-commissaris zulks beveelt, van deze beschikkingen aankondiging in één of meer door de rechter-commissaris mogelijkerwijs aan te wijzen nieuwsbladen.

Artikel 642l

Artikel 642m

Van de krachtens artikel 642l gedane nederlegging der lijsten geeft de vereffenaar aan alle bekende schuldeisers en de schuldenaar of schuldenaren schriftelijk bericht, waarbij hij een nadere oproeping tot de verificatievergadering voegt.

Artikel 642n

Op de ingevolge artikel 642g bepaalde dag of dagen houdt de rechter-commissaris in tegenwoordigheid van de vereffenaar één of meer zittingen.

Artikel 642s

1.

Na afloop van de in artikel 642n bedoelde zittingen of, indien deze tot geschillen aanleiding hebben gegeven, nadat daarover onherroepelijk is beslist, wordt door de vereffenaar een staat van verdeling van het betrokken fonds opgemaakt en aan de goedkeuring van de rechter-commissaris onderworpen.

Artikel 642t

2.

Indien de schuldenaar gebruik maakte van de hem hetzij in artikel 750 of artikel 751 hetzij in artikel 1060 of artikel 1061 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek gegeven bevoegdheid zijn de volgende regels van toepassing:

  1. het personenfonds wordt aangewend ter voldoening van vorderingen betreffende personenschade;

  2. het passagiersfonds wordt aangewend ter voldoening van vorderingen betreffende personenschade van reizigers;

  3. het zakenfonds wordt aangewend ter voldoening van vorderingen betreffende zaakschade en van vorderingen betreffende personenschade voor zover deze nog onvoldaan mochten zijn na toepassing van de onder a genoemde regel;

  4. het wrakkenfonds wordt aangewend ter voldoening van vorderingen als bedoeld in artikel 752, eerste lid, onder d of e, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;

  5. het waterverontreinigingsfonds wordt aangewend ter voldoening van vorderingen terzake van kosten en schadevergoedingen verschuldigd voor waterverontreiniging als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van artikel 1065 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;

  6. indien een volgens de onder a tot en met e genoemde regels te verdelen bedrag niet voldoende is ter voldoening van de vorderingen waartoe het volgens deze regels wordt aangewend, worden deze vorderingen in evenredigheid gekort.

Artikel 642w

Behoudens het vierde lid van artikel 642f gaan de vorderingen van schuldeisers die, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen zijnde, deze niet ter verificatie hebben aangemeld, door het in kracht van gewijsde gaan van de staat van verdeling teniet.

Artikel 650 [Vervallen per 01-12-1986]

01-12-1986
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 38

Tweede titel. Van procedures betreffende een nalatenschap of een gemeenschap

Eerste afdeling. Van de verzegeling

Artikel 658

1.

Zaken die tot een nalatenschap of een gemeenschap waarop afdeling 2 van titel 7 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is behoren kunnen worden verzegeld met verlof van de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de verzegeling moet plaatsvinden. De verzegeling geschiedt door een bij dit verlof aan te wijzen notaris met diens zegel. Tegen het verlof is geen hogere voorziening toegelaten.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 41

Artikel 659

De artikelen 444, 444a en 444b, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 41

Artikel 661

Indien in geval van een nalatenschap een der in artikel 660, eerste lid onder 1°, bedoelde personen afwezig of onbekwaam is, en geen wettelijke vertegenwoordiger heeft of deze afwezig is, kan het verlof tot verzegeling ook door een notaris worden verzocht of door de kantonrechter ambtshalve worden bevolen.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 41

Artikel 667

1.

De in artikel 660 onder 1° en 3° onder a bedoelde personen en degene die de verzegeling heeft uitgelokt worden opgeroepen om op het verzoek te worden gehoord, indien zij het verlangen daartoe tijdig aan de notaris die de verzegeling heeft verricht, hebben medegedeeld met opgave van de redenen van dit verlangen en van hun woonplaats.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 41

Artikel 669

De in artikel 660 onder 1° en 3° onder a bedoelde personen en degene die de verzegeling heeft uitgelokt worden door de notaris ten minste vierentwintig uur tevoren van het tijdstip van ontzegeling op de hoogte gesteld. Hetzelfde geldt voor de schuldeiser van de nalatenschap of gemeenschap die zijn verlangen daartoe tijdig aan de notaris heeft medegedeeld met opgave van zijn vordering en van zijn woonplaats.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 41

Artikel 670

Het proces-verbaal van de ontzegeling moet bevatten:

  1. 1°.

    dag en uur waarop zij gedaan wordt;

  2. 2°.

    naam, voornaam en woonplaats of gekozen woonplaats van hem die de ontzegeling verzocht heeft;

  3. 3°.

    vermelding van het verlof tot ontzegeling;

  4. 4°.

    vermelding van de in artikel 669 bedoelde mededelingen;

  5. 5°.

    de verschijning van partijen en hun opmerkingen;

  6. 6°.

    de herkenning van de zegels en de bevinding daarvan als gaaf en ongeschonden, of indien zij dit niet mochten zijn, de vermelding van de toestand waarin zij worden bevonden.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 41

Vierde afdeling A. Rechtsmiddelen tegen beschikkingen in procedures betreffende een nalatenschap

Artikel 676a

Geen andere voorziening dan cassatie in het belang der wet staat open tegen beschikkingen ingevolge:

  1. artikel 25, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  2. artikel 77 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  3. artikel 143 lid 1, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  4. artikel 147, tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  5. artikel 149, tweede lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  6. artikel 150 lid 2, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  7. artikel 157, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  8. artikel 164, tweede lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  9. artikel 173, derde zin, van van Boek 4 het Burgerlijk Wetboek, waarbij een machtiging als in die bepaling bedoeld wordt verleend;

  10. artikel 185 lid 2 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek waarbij maatregelen als in die bepaling bedoeld worden voorgeschreven;

  11. artikel 185, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  12. artikel 191, tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij maatregelen als in die bepaling bedoeld worden voorgeschreven;

  13. artikel 192, tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  14. artikel 196, tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  15. artikel 197, tweede lid, eerste zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  16. artikel 201, tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  17. artikel 202, eerste lid, onder a, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  18. artikel 206, vijfde lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  19. artikel 211, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  20. artikel 215, tweede lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  21. artikel 218, eerste lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  22. artikel 221, tweede lid, eerste zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  23. artikel 223, eerste lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  24. artikel 226, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij een machtiging als in die bepaling bedoeld wordt verleend.

Artikel 676b

Van de beschikkingen van de rechter-commissaris ingevolge afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek is gedurende vijf dagen hoger beroep op de rechtbank toegelaten, behoudens voor zover het beschikkingen betreft waartegen, indien zij door de kantonrechter waren gegeven, geen hogere voorziening is toegelaten.

Artikel 680

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 41

Artikel 685 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25
01-10-1838
Stb 1828, 41

Artikel 690 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25
01-10-1838
Stb 1828, 41

Artikel 691 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25
01-10-1838
Stb 1828, 41

Artikel 695 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
22-06-1843
Stb 1843, 23
01-10-1838
Stb 1828, 41

Artikel 696 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
22-06-1843
Stb 1843, 23
01-10-1838
Stb 1828, 41

Artikel 698 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
22-06-1843
Stb 1843, 23
01-10-1838
Stb 1828, 41

Vierde titel. Van middelen tot bewaring van zijn recht

Eerste afdeling. Algemene bepalingen

Artikel 700

4.

Verlof tot het leggen van beslag ten laste van een instelling als bedoeld in artikel 212a, onder a, van de Faillissementswet kan slechts worden verleend nadat de instelling in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, tenzij het beslag uitsluitend op zaken betrekking heeft.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 702

1.

Tenzij de wet anders bepaalt, wordt een conservatoir beslag gelegd met overeenkomstige toepassing van artikel 441, derde lid, en van de voorschriften, geldende voor het leggen van executoriaal beslag tot verhaal van een geldvordering op een goed van de soort als in beslag genomen wordt. In plaats van de executoriale titel wordt in het beslagexploot het in artikel 700 bedoelde verlof van de voorzieningenrechter vermeld.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 710

01-01-1992
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-09-1886
Stb 1884, 94
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 710a

De indiening van verzoekschriften krachtens de artikelen 700, derde lid, tweede volzin, 709, tweede en derde lid, 715, tweede lid, derde volzin, en 721, tweede volzin, kan ook door een deurwaarder geschieden. Indien een deurwaarder het verzoekschrift indient, geldt zijn kantoor als gekozen woonplaats van de verzoeker.

Artikel 712

De artikelen 441, eerste lid, 442-445, 447, 448, 451, 453a, 455a, 457 en 461d zijn op de in het vorige artikel bedoelde beslag van overeenkomstige toepassing.

01-01-1992
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 713

Wordt het beslag gelegd op een recht aan toonder of order, dan worden de in artikel 474b bedoelde baten geïnd door de bewaarder van het papier en zijn voorts dat artikel en artikel 474ba van overeenkomstige toepassing.

01-01-1992
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1828, 45

Derde afdeling. Van conservatoir beslag op aandelen op naam, en effecten op naam die geen aandelen zijn

Artikel 714

De bepalingen van de artikelen 474b, tweede lid, 474ba en 711, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het conservatoir beslag tot verhaal van een geldvordering op aandelen op naam en effecten op naam die geen aandelen zijn.

01-01-1992
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 716

Ten aanzien van de baten uit in beslag genomen aandelen op naam voortvloeiende geldt het beslag als een beslag onder de vennootschap. Van deze baten doet de vennootschap verklaring aan de rechtbank alvorens deze de beschikking bedoeld in artikel 474g geeft. Bij deze beschikking wordt tevens beslist omtrent de deugdelijkheid van deze verklaring, en wordt de afgifte van de baten aan de deurwaarder gelast, mits alle kosten aan de zijde van de vennootschap ter zake van de deugdelijk bevonden verklaring worden vergoed.

01-01-1992
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 717

1.

De bepalingen van de artikelen 715 en 716 zijn voor zover mogelijk eveneens van toepassing op andere aandelen op naam dan in een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en op effecten op naam die geen aandelen zijn.

01-01-1992
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 719

1.

Onverminderd hetgeen voortvloeit uit artikel 702, moeten op straffe van nietigheid in het beslagexploot worden vermeld het bedrag waarvoor het in artikel 700 bedoelde verlof werd verleend, alsmede waar de hoofdzaak aanhangig is of binnen welke termijn zij blijkens het verlof ingesteld moet worden.

01-01-1992
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 720

De artikelen 475, derde lid, 475a, 475b tot en met 475i, 476a en 476b, 479 en 479a zijn van overeenkomstige toepassing. In het geval van artikel 475a, vierde lid, moet de vordering waarop het beslag wordt gelegd in het verzoekschrift waarbij verlof van de voorzieningenrechter wordt gevraagd, uitdrukkelijk worden omschreven. Verlof tot het leggen van beslag op een vordering tot een in artikel 475c vermelde periodieke betaling kan slechts worden verleend, nadat de schuldenaar is gehoord of hij de gelegenheid te worden gehoord, ongebruikt heeft laten voorbijgaan.

01-01-1992
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 722

De betekening aan de derde, in het eerste lid van artikel 704 voorgeschreven, dient te geschieden binnen één maand nadat ter zake van de hoofdvordering een executoriale titel is verkregen en deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden; blijft betekening binnen deze termijn uit, dan zullen de betalingen door de derde gedaan, van waarde zijn.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 723

De in artikel 477 bedoelde verplichting van de derde en de in 477a bedoelde bevoegdheden van de executant gaan niet in voordat vier weken sedert de in het vorige artikel bedoelde betekening zijn verstreken.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 45

Vijfde afdeling. Van conservatoir beslag onder de schuldeiser zelf

Artikel 724

1.

Een schuldeiser kan onder zichzelf beslag leggen op de in artikel 479h bedoelde goederen. Deze goederen moeten in het in artikel 700, tweede lid, bedoelde verzoekschrift worden omschreven.

3.

De termijn van artikel 479j, eerste lid, begint te lopen vanaf de dag dat de schuldeiser een executoriale titel heeft verkregen en deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden en aan de schuldenaar is betekend.

01-01-1992
26-01-1933
Stb 1932, 676
01-10-1838
Stb 1828, 45

Zesde afdeling. Van conservatoir beslag op onroerende zaken

Artikel 725

Indien is voldaan aan de eisen die in artikel 711, eerste en tweede lid, voor het verlof worden gesteld, kan ook verlof verleend worden om beslag te leggen op een of meer bepaald aan te wijzen onroerende zaken.

01-01-1992
26-01-1933
Stb 1932, 676
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 726

1.

De artikelen 504a, eerste lid, 505, 506, 507a507b en 513a zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

De termijn van artikel 508 begint te lopen vanaf de dag dat de schuldeiser een executoriale titel heeft verkregen en deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden en aan de schuldenaar is betekend.

01-01-1992
01-04-1991
01-11-1952
Stb 1939, 201
18
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 727

Indien de eis in de hoofdzaak niet binnen de overeenkomstig artikel 700, derde lid, bepaalde termijn is ingesteld, is de beslaglegger verplicht de inschrijving van het beslag in de openbare registers onverwijld te doen doorhalen op straffe van schadevergoeding.

01-01-1992
15-03-1930
Stb 1929, 530
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 728a

1.

Artikel 708, tweede lid, is niet van toepassing. De artikelen 566, 567 en 513a zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

De termijn van artikel 508, in verbinding met artikel 568, begint te lopen vanaf de dag dat de schuldeiser een executoriale titel heeft verkregen en deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden en is betekend aan de schuldenaar jegens wie deze titel luidt.

01-01-1992

Artikel 728b

Indien het beslag is gelegd op een schip dat te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en de eis in hoofdzaak niet binnen de overeenkomstig artikel 700, derde lid, bepaalde termijn is ingesteld, is de beslaglegger verplicht de waardeloosheid van de inschrijving van het beslag onverwijld te doen inschrijven op straffe van schadevergoeding.

01-01-1992

Artikel 732

Betreft het recht op afgifte te velde staande vruchten of beplantingen van een onroerende zaak, dan kan uit dien hoofde beslag worden gelegd overeenkomstig artikel 494. In dat geval worden de in artikel 451 aan de kantonrechter toegekende bevoegdheden uitgeoefend door de voorzieningenrechter van de rechtbank, indien dit bij het in artikel 700, tweede lid, bedoelde verzoekschrift wordt verzocht.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 734

2.

In geval van overeenkomstige toepassing van artikel 444b treedt de waarde van het in beslag te nemen goed in de plaats van het bedrag van de vordering waarvoor beslag is gelegd.

3.

Artikel 474b is slechts van overeenkomstige toepassing ingeval uit hoofde van het recht waarvoor het beslag is gelegd, tevens recht op de in dat artikel bedoelde baten bestaat.

4.

In het in artikel 700, tweede lid, bedoelde verzoekschrift wordt het in beslag te nemen goed omschreven. Vrees voor verduistering behoeft niet te worden gesteld.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 738 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-12-1964
01-01-1897
Stb 1896, 103
06-06-1877
Stb 1877, 138
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 745 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 750 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 756 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-04-1991
01-07-1934
Stb 1934, 253
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 758 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-11-1938
Stb 1937, 205
19
15-03-1930
Stb 1929, 530
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 759 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-11-1938
Stb 1937, 205
19
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 763 [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 45

Artikel 770c

Een eventueel overschot van een executie wordt door de deurwaarder, notaris of pandhouder onverwijld gestort bij een bewaarder als bedoeld in artikel 445 ten behoeve van de echtgenoot of geregistreerde partner aan wie dit overschot wordt toegedeeld.

01-04-1995
01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 773

Artikel 140, eerste en derde lid, is van toepassing, met dien verstande dat de rechter, indien tegen een of meer gedaagden verstek is verleend, ambtshalve de rechtmatigheid en de gegrondheid van de vordering onderzoekt.

01-10-1838
Stb 1828, 49

Artikel 781 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1992
01-08-1975
Stb 1975, 276
11923
01-10-1838
Stb 1828, 49

Artikel 794 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1992
31-12-1980
Stb 1980, 474
13618
01-10-1838
Stb 1828, 49

Artikel 796 [Vervallen per 01-01-2002]

01-04-1995
01-01-1992
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 49

Artikel 799

1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 278, eerste lid, bevat een verzoekschrift de namen en, voor zover bekend, de voornamen en de woonplaats van de belanghebbenden, alsmede van anderen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn.

01-04-1995
01-01-1970
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 800

3.

De beschikkingen tot voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige en tot machtiging van de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet om een minderjarige uit huis te plaatsen, een beschikking met betrekking tot de voorlopige voogdij alsmede een beschikking als bedoeld in artikel 265i, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen alleen dan aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikkingen verliezen haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.

01-04-1995
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 802a

In alle zaken betreffende een verzoek tot verlening van een machtiging als bedoeld in paragraaf 6.1 van de Jeugdwet, een verzoek op grond van Afdeling 4 van Titel 14 van Boek 1 of betreffende een voorziening in het gezag als bedoeld in artikel 241 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter bepalen dat de zitting wordt gehouden in de gesloten accommodatie, bedoeld in de Jeugdwet, waarin de jeugdige verblijft.

Artikel 806

1.

In afwijking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 358 kan van een beschikking hoger beroep worden ingesteld:

  1. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

01-04-1995
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 808a [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1992
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 808b [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1992
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
26-01-1933
Stb 1932, 676
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 808c [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1992
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 808d [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1992
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 808e [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1992
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 808f [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1992
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 808g [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1992
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 808h [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1992
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 808i [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 808j [Vervallen per 01-01-1992]

01-01-1992
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-01-1897
Stb 1896, 103

Artikel 809

3.

Indien de gelegenheid waarop de minderjarige zijn mening kenbaar kan maken niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige, kan de rechter de beschikkingen tot voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige en tot machtiging van de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet om een minderjarige uit huis te plaatsen, een beschikking met betrekking tot de voorlopige voogdij alsmede een beschikking als bedoeld in artikel 265i, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek geven zonder toepassing van het eerste lid. Deze beschikkingen verliezen haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de minderjarige binnen deze termijn in de gelegenheid is gesteld zijn mening kenbaar te maken.

01-04-1995
01-01-1995
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 811

1.

In zaken betreffende minderjarigen worden als belanghebbenden bij het recht op inzage en afschrift, als bedoeld in artikel 290, van door de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie overgelegde bescheiden alsmede van door een deskundige op verzoek van de rechter overgelegde bescheiden aangemerkt:

  1. de verzoekers,

  2. de ouders en voogden,

  3. degenen die de minderjarige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden en die uit dien hoofde een nauwe persoonlijke betrekking met het kind hebben, en

  4. de minderjarige van twaalf jaren of ouder, tenzij de rechter is gebleken dat hij niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

02-11-1995
01-04-1995
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
31-03-1915
Stb 1915, 172
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 812

1.

Iedere beschikking betreffende de gezagsuitoefening over minderjarigen, de beschikkingen ingevolge de artikelen 253s, 265b, 326 en 336a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek daaronder begrepen, geeft degene aan wie deze minderjarigen ingevolge de beschikking tijdelijk of blijvend worden toevertrouwd, van rechtswege het recht tot het aan hem doen afgeven van deze minderjarigen, zonodig met behulp van de sterke arm.

2.

Een beschikking als bedoeld in artikel 253a, eerste en tweede lid, of artikel 377a, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan slechts met de sterke arm ten uitvoer worden gelegd voorzover dit bij die beschikking is bepaald.

01-11-1995
01-04-1995
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
31-03-1915
Stb 1915, 172
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 815

1.

Onverminderd het in artikel 278, eerste lid, bepaalde vermeldt het verzoekschrift:

  1. de naam, de voornamen en voorzover bekend de woonplaats en de werkelijke verblijfplaats van de echtgenoot die niet de verzoeker is;

  2. voorzover bekend de naam van diens raadsman;

  3. de naam en de voornamen en voorzover bekend de woonplaats en de werkelijke verblijfplaats van ieder minderjarig kind van de echtgenoten te zamen of van een van hen.

3.

In het ouderschapsplan worden in ieder geval afspraken opgenomen over:

  1. de wijze waarop de echtgenoten de zorg- en opvoedingstaken, bedoeld in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, verdelen of het recht en de verplichting tot omgang, bedoeld in artikel 377a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vormgeven;

  2. de wijze waarop de echtgenoten elkaar informatie verschaffen en raadplegen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen;

  3. de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.

5.

Bij de indiening van het verzoekschrift moeten worden overgelegd:

  1. een afschrift of uittreksel van de huwelijksakte;

  2. bescheiden betreffende de gronden waarop de rechter ingevolge artikel 4 rechtsmacht heeft;

  3. een afschrift of uittreksel van de akte van geboorte van ieder minderjarig kind van de echtgenoten te zamen of van een van hen;

  4. de processtukken die betrekking hebben op de voorlopige voorzieningen, bedoeld in de artikelen 822 en 823, indien deze zijn gevraagd;

  5. indien het een verzoek tot ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed betreft: een authentiek afschrift van de rechterlijke uitspraak waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken.

01-04-1995
01-01-1993
01-10-1971
01-01-1970
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
31-03-1915
Stb 1915, 172
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 816

01-01-1993
01-01-1971
01-01-1970
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 818

1.

In afwijking van het bepaalde in artikel 279, eerste lid, kan een behandeling ter terechtzitting achterwege blijven indien er geen minderjarige kinderen zijn die ingevolge artikel 809 in de gelegenheid moeten worden gesteld hun mening kenbaar te maken en er, wanneer het een verzoek van een der echtgenoten betreft, niet tijdig verweer is gevoerd.

6.

De artikelen 802 en 803 zijn van overeenkomstige toepassing.

01-04-1995
01-01-1993
03-12-1984
01-10-1971
01-01-1970
01-01-1955
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 820

1.

In afwijking van het bepaalde van artikel 358, tweede lid, kan een echtgenoot die in eerste aanleg niet in de procedure is verschenen, tegen een beschikking waarbij een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is toegewezen, hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig het tweede lid openlijk bekend is gemaakt.

01-04-1995
01-01-1993
03-12-1984
01-10-1971
01-01-1970
01-01-1955
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25
01-12-1909
Stb 1909, 322
01-12-1905
Stb 1901, 62
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 822

15-12-1995
01-04-1995
01-01-1993
03-12-1984
01-10-1971
01-01-1970
01-01-1955
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 824

1.

Tegen de op grond van artikel 822 gegeven beschikkingen en tegen de beschikkingen tot wijziging of intrekking daarvan staan geen hogere voorzieningen open, behoudens cassatie in het belang der wet.

2.

Op een verzoek van de echtgenoten of van één van hen kan een beschikking, als bedoeld in artikel 822, door de rechtbank die of het gerechtshof dat de beschikking heeft gegeven, worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening der beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Artikel 821, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

01-01-1993
01-12-1990
01-10-1971
01-01-1970
01-01-1955
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 825

Als belanghebbenden bij het recht op inzage en afschrift, bedoeld in artikel 290, van de bescheiden die betrekking hebben op de voorlopige voorzieningen, worden aangemerkt de echtgenoten met dien verstande dat in zaken betreffende minderjarigen artikel 811 van toepassing is.

01-04-1995
01-01-1993
01-10-1971
01-01-1970
01-01-1957
Stb 1956, 343
1430
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 826

1.

De voorlopige voorzieningen verliezen hun kracht zodra een beschikking waarbij de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed is uitgesproken, wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand onderscheidenlijk het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of zodra de mogelijkheid daartoe vervalt, met dien verstande dat:

  1. de voorlopige voorziening bedoeld in artikel 822, eerste lid, onderdeel a, haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 266 lid 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, indien dit verzoek is gedaan, in kracht van gewijsde gaat;

  2. indien een verzoek tot voorziening in het gezag is gedaan of door de rechter ambtshalve in het gezag wordt voorzien, de voorlopige voorzieningen die op de kinderen betrekking hebben, hun kracht behouden totdat het gezag overeenkomstig artikel 253p van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is begonnen;

  3. de voorlopige voorziening bedoeld in artikel 822, eerste lid, onderdeel e, haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 156 van het Eerste Boek van het Burgerlijk Wetboek, indien dit verzoek is gedaan, in kracht van gewijsde gaat.

Stb 2019, 283
met Verbeterblad
34231
15-12-1995
02-11-1995
01-01-1993
01-04-1988
01-10-1971
01-01-1970
01-10-1838
Stb 1828, 50

§ 3. Nevenvoorzieningen

Artikel 827

1.

Ingeval de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, kan de rechter als nevenvoorziening de navolgende voorzieningen treffen:

  1. toekenning van een uitkering tot levensonderhoud aan een echtgenoot ten laste van de andere echtgenoot;

  2. voorzieningen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekening van inkomsten of van vermogen;

  3. voorzieningen betreffende het gezag over, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over, de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van of de omgang met, de informatie en raadpleging over en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen van de echtgenoten;

alsmede, ingeval de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken:

  1. d.
  2. e.

    een bevel tot medewerking aan het teniet doen gaan van een naast het huwelijk bestaande religieuze of levensbeschouwelijke verbintenis op grond van artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in samenhang met artikel 68, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een andere daartoe strekkende voorziening;

  3. f.
  4. g.

    een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met f, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.

2.

Ten aanzien van nevenvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de artikelen 808, 809, eerste lid, 810, 810a, 811 en 812 van toepassing, en komt, in afwijking van het bepaalde in artikel 358, het recht van hoger beroep slechts toe aan de ouders, voorzover dezen tot het gezag bevoegd zijn, alsmede aan de raad voor de kinderbescherming.

15-12-1995
02-11-1995
01-04-1995
01-01-1993
01-10-1971
01-01-1970
22-07-1923
Stb 1923, 280
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 828a [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1993
01-08-1992
01-01-1988
01-01-1982
Stb 1982, 366
16630
01-01-1973
01-01-1970
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25
01-07-1934
Stb 1934, 253

Artikel 828b [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-03-1994
01-01-1994
01-01-1987
01-01-1970
30-06-1958
01-07-1934
Stb 1934, 253

Artikel 828c [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-03-1994
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25
01-07-1934
Stb 1934, 253

Artikel 828i [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1987
21-09-1935
Stb 1935, 542
01-07-1934
Stb 1934, 253

Artikel 831 [Vervallen per 01-01-1970]

01-01-1970
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1828, 50

Artikel 834 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 840 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 842 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 845

In afwijking van het in artikel 194, tweede lid, aanhef en onder b bepaalde is degene die gegevens omtrent een vordering tot schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden inzage, afschrift of uittreksel daarvan te verschaffen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn.

01-01-1992
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 847

1.

Onverminderd het in de artikelen 194, 195 en 195a bepaalde wordt omtrent een vordering tot schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht pas inzage, afschrift of uittreksel verschaft van de volgende, enkel uit het dossier van een mededingingsautoriteit afkomstige bescheiden:

  1. informatie die door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon specifiek voor de procedure van de mededingingsautoriteit is opgesteld,

  2. informatie die de mededingingsautoriteit in de loop van de procedure heeft opgesteld en aan partijen heeft gezonden, en

  3. verklaringen met het oog op een schikking die zijn ingetrokken,

nadat de mededingingsautoriteit een besluit heeft genomen of de procedure anderszins heeft beëindigd.

01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 848

Onverminderd het in de artikelen 846 en 847 bepaalde levert aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon verschafte inzage, afschrift of uittreksel van enkel uit het dossier van een mededingingsautoriteit afkomstige bescheiden slechts bewijs op voor een vordering tot schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht voor die persoon of zijn rechtsopvolgers.

01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 849

Onverminderd het in de artikelen 194, 195 en 195a en deze afdeling bepaalde verschaft een mededingingsautoriteit slechts inzage, afschrift of uittreksel van gegevens omtrent een vordering tot schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht, indien er geen andere partij is die de gegevens redelijkerwijs kan verschaffen.

01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 862 [Vervallen per 01-01-1984]

01-01-1984
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 863 [Vervallen per 01-01-1984]

01-01-1984
15-06-1981
Stb 1981, 317
16493
01-11-1937
Stb 1936, 204
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 864 [Vervallen per 01-01-1984]

01-01-1984
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 865 [Vervallen per 01-01-1984]

01-01-1984
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 866 [Vervallen per 01-01-1984]

01-01-1984
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 867 [Vervallen per 01-01-1984]

01-01-1984
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 868 [Vervallen per 01-01-1984]

01-01-1984
15-06-1981
Stb 1981, 317
16493
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 869 [Vervallen per 01-01-1984]

01-01-1984
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 870 [Vervallen per 01-01-1988]

01-01-1988
01-01-1984
15-06-1981
Stb 1981, 317
16493
01-01-1970
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 871 [Vervallen per 01-01-1984]

01-01-1984
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 872 [Vervallen per 01-01-1958]

01-01-1958
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-02-1909
Stb 1907, 193
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 873 [Vervallen per 01-01-1958]

01-01-1958
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-01-1897
Stb 1896, 103
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 874 [Vervallen per 01-01-1958]

01-01-1958
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 875 [Vervallen per 01-10-1952]

01-10-1952
01-11-1937
Stb 1936, 204
Stb 1936, 204
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 876 [Vervallen per 01-04-1988]

01-04-1988
01-10-1971
16-08-1951
13-01-1887
Stb 1886, 230
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 880 [Vervallen per 01-04-1988]

01-04-1988
16-08-1951
13-01-1887
Stb 1886, 230
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 882 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 883 [Vervallen per 01-09-1988]

01-09-1988
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 884 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 885 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-05-1984
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 886 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 887 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 888 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 889 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1987
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 890 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1987
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 891 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1987
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 892 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
06-01-1988
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 893 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1970
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 894 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1982
Stb 1981, 283
15350
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 895 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1982
Stb 1981, 283
15350
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 896 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1982
Stb 1981, 283
15350
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 897 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1982
Stb 1981, 283
15350
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 898 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1982
Stb 1981, 283
15350
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 899 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1982
Stb 1981, 283
15350
01-09-1896
Stb 1896, 9
01-10-1838
Stb 1829, 37

Artikel 902a [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1993
01-09-1992
05-07-1982
Stb 1982, 315
16127
01-01-1970
01-07-1956

Artikel 903 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-04-1988
01-07-1956
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 904 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
06-01-1988
01-01-1970
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 905 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
05-07-1982
Stb 1982, 315
16127
01-01-1971
01-01-1951
Stb 1950, K 597
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 906 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
05-07-1982
Stb 1982, 315
16127
01-10-1971
01-01-1970
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 907 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1987
01-07-1956
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 910 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1993
01-09-1992
01-01-1970
01-07-1956
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 912 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
06-01-1988
05-07-1982
Stb 1982, 315
16127
01-01-1970
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 913 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-12-1990
01-01-1970
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 914 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-05-1984
01-01-1970
01-10-1964
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 915 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1985
01-01-1970
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 926 [Vervallen per 01-10-1994]

01-04-1995
01-10-1994
01-01-1970
25-11-1968
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 927 [Vervallen per 01-01-1997]

01-05-1995
01-04-1995
01-01-1993
01-11-1982
Stb 1982, 316
16965
01-01-1970
01-01-1955
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 931 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1993
01-12-1990
01-10-1971
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 936 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
05-07-1982
Stb 1982, 315
16127
01-07-1956
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 942 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
05-07-1982
Stb 1982, 315
16127
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 943 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
05-07-1982
Stb 1982, 315
16127
01-01-1970
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 944 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
05-07-1982
Stb 1982, 315
16127
01-01-1970
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 946 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
05-07-1982
Stb 1982, 315
16127
01-01-1970
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 947 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-11-1978
Stb 1978, 303
13548
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 951 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-11-1978
Stb 1978, 303
13548
01-01-1970
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 954 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1970
07-01-1969
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 956 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1985
01-01-1970
01-07-1956
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 960 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
06-01-1988
01-01-1970
01-07-1956
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 962 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1970
01-10-1964
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 963 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
08-06-1987
01-01-1970
01-07-1956
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 964 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1970
01-07-1956
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 965 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
06-01-1988
01-01-1985
05-07-1982
Stb 1982, 315
16127
01-01-1970
01-10-1964
01-07-1956
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 966 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1970
01-10-1964
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 967 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
25-06-1971
01-01-1970
01-10-1964
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 968 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-01-1970
01-10-1964
01-09-1948
Stb 1947, H 232
25

Artikel 970 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-11-1979
Stb 1979, 501
14824
01-11-1978
Stb 1978, 303
13548
01-01-1970
01-11-1956
Stb 1956, 42
3530

Artikel 971 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1992
01-01-1987
01-11-1978
Stb 1978, 303
13548
01-02-1974
01-01-1970
07-01-1969
01-11-1956
Stb 1956, 42
3530

Artikel 972 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1992
06-01-1988
01-01-1987
05-07-1982
Stb 1982, 315
16127
01-11-1979
Stb 1979, 501
14824
07-01-1969
01-11-1956
Stb 1956, 42
3530

Artikel 973 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1992
01-01-1987
01-11-1979
Stb 1979, 501
14824
01-11-1978
Stb 1978, 303
13548
01-01-1970
01-11-1956
Stb 1956, 42
3530

Artikel 974 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-11-1979
Stb 1979, 501
14824
01-11-1978
Stb 1978, 303
13548
01-01-1970
01-11-1956
Stb 1956, 42
3530

Artikel 975 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1992
01-02-1974
01-01-1970
07-01-1969
01-11-1956
Stb 1956, 42
3530

Artikel 977 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-11-1978
Stb 1978, 303
13548
01-11-1956
Stb 1956, 42
3530

Artikel 978 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1992
01-01-1987
01-11-1978
Stb 1978, 303
13548
01-02-1974
07-01-1969
01-11-1956
Stb 1956, 42
3530

Artikel 979 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1992
01-01-1987
01-11-1978
Stb 1978, 303
13548
01-01-1970
07-01-1969
01-11-1956
Stb 1956, 42
3530

Artikel 982 [Vervallen per 01-04-1995]

01-04-1995
01-09-1992
01-02-1974
01-01-1970
07-01-1969
01-11-1956
Stb 1956, 42
3530

Tiende titel. Van rechtspleging in zaken van rechtspersonen

Artikel 995

1.

In de zaken die ingevolge het bij of krachtens Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde met een verzoek worden ingeleid, is, tenzij anders is bepaald, bevoegd de rechter van de woonplaats van de rechtspersoon. Nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan blijft deze rechter bevoegd in zaken betreffende de vereffening, de benoeming van bewaarders van boeken en bescheiden en het verlenen van machtiging tot inzage in boeken en bescheiden.

2.

Het verzoekschrift vermeldt, onverminderd het in artikel 278 bepaalde, de naam en de woonplaats van de rechtspersoon.

01-09-1994
20-01-1986
26-07-1976
Stb 1976, 229
samen met
Stb 1976, 397
11416
samen met
11416

Artikel 998 [Vervallen per 01-01-2002]

01-01-1992
20-01-1986
01-01-1984
26-07-1976
Stb 1976, 229
samen met
Stb 1976, 397
11416
samen met
11416

Twaalfde titel. Van rechtspleging in zaken betreffende onredelijk bezwarende bedingen in algemene voorwaarden

Artikel 1003

Bij vorderingen als bedoeld in de artikelen 240 en 242 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek kan als volgt worden afgeweken van het bepaalde in artikel 111, tweede lid:

  1. 1°.

    Een exploit dat bestemd is zowel voor een vereniging die ten doel heeft de behartiging van belangen van personen die een beroep of bedrijf uitoefenen, alsook voor de leden van deze vereniging, alsmede een exploit dat bestemd is voor de gewezen leden van een in eerste aanleg medegedagvaarde, doch inmiddels ontbonden vereniging als hiervoor bedoeld, behoeft de naam en de woonplaats van deze leden of gewezen leden niet afzonderlijk te vermelden.

  2. 2°.

    Een exploit dat wordt uitgebracht zowel ten verzoeke van een vereniging die ten doel heeft de behartiging van belangen van personen die een beroep of bedrijf uitoefenen, alsook ten verzoeke van de leden van deze vereniging, alsmede een exploit dat wordt uitgebracht ten verzoeke van de gewezen leden van een in eerste aanleg mede-gedagvaarde, doch inmiddels ontbonden vereniging als hiervoor bedoeld, behoeft de voornaam, de naam en de woonplaats van deze leden of gewezen leden niet afzonderlijk te vermelden.

01-01-1992

Artikel 1005

In geval van een vordering als bedoeld in artikel 240 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek waarbij de in artikel 1003 onder 1° bedoelde gegevens niet in het exploot werden vermeld, kan het beroep in cassatie slechts worden ingesteld door degenen die in eerste aanleg verschenen zijn.

01-01-1992

Artikel 1006

Bovendien gelden in geval van een vordering of verzoek als bedoeld in de artikelen 240 en 242 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, indien de in de artikelen 1003 en 1004 bedoelde gegevens niet in het exploit of in het verzoekschrift werden vermeld, de navolgende bijzondere voorzieningen:

  1. 1°.

    De artikelen 237, 239 en 289, worden toegepast als vormden de hiervoor bedoelde vereniging en haar leden, onderscheidenlijk de gewezen leden van een ontbonden vereniging, tezamen één partij. Niet verschenen of gewezen leden worden niet in de kosten van het geding verwezen.

  2. 2°.

    Op vordering onderscheidenlijk verzoek van ieder der partijen kan de rechter, indien gerede twijfel bestaat of de wederpartij voor de proceskosten voldoende verhaal zal bieden, in elk stadium van de procedure bevelen dat terzake van de betaling der proceskosten zekerheid wordt gesteld.

01-01-1992

Titel 13. Van rechtspleging in zaken betreffende de teruggave van cultuurgoederen

Artikel 1010

De centrale autoriteit, aangewezen krachtens artikel 4 van de richtlijn, bedoeld in artikel 1008, kan ten behoeve van de lid-staat van de Europese Unie of ten behoeve van de andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte die aanspraak op teruggave van een cultuurgoed maakt, de nodige maatregelen nemen, zoals het doen leggen van conservatoir beslag, het in bewaring of onder bewind doen stellen van de zaak, en het vorderen van voorlopige voorzieningen in kort geding, zulks onverminderd de bevoegdheid te dier zake van de desbetreffende staat zelf.

01-05-1995

Artikel 1011

De kosten die voortvloeien uit de uitvoering van een beslissing van een rechtbank tot teruggave van een roerende zaak ingevolge artikel 1008, komen ten laste van de staat die rechtsvordering heeft ingesteld. Dit geldt ook voor de kosten inzake de maatregelen die door de centrale autoriteit, aangewezen krachtens artikel 4 van de richtlijn, zijn genomen voor het materiële behoud van het cultuurgoed, bedoeld in artikel 5, onder 4, van de richtlijn. Hieronder vallen tevens de kosten, bedoeld in artikel 1010.

01-05-1995

Artikel 1011a

1.

Een rechtsvordering tot teruggave van een roerende zaak, gegrond op artikel 6.7 van de Erfgoedwet, wordt ingesteld tegen de bezitter of, bij ontstentenis van een bezitter, tegen de houder van het cultuurgoed voor de naar de regels van dit wetboek bevoegde rechter.

2.

Op straffe van nietigheid dienen tezamen met de dagvaarding te worden betekend:

  1. een document waarin de roerende zaak waarvan teruggave wordt gevorderd, wordt beschreven en waaruit blijkt dat deze zaak een cultuurgoed is in de zin van artikel 6.1, onder c, van de Erfgoedwet en derhalve van wezenlijk belang voor het cultureel erfgoed van de verdragsstaat waaruit het cultuurgoed afkomstig is;

  2. een verklaring van de verdragsstaat waaruit het cultuurgoed afkomstig is, dat dit cultuurgoed buiten het grondgebied van die staat is geraakt met schending van de regels die door die staat in overeenstemming met de doelstellingen van het Unesco-verdrag 1970, bedoeld in artikel 6.1, onder a, van de Erfgoedwet zijn vastgesteld ter zake van de uitvoer en de eigendomsoverdracht van cultuurgoederen, dan wel dat dit cultuurgoed is ontvreemd in die verdragsstaat.

Artikel 1011c

De kosten die voortvloeien uit de uitvoering van een rechterlijke beslissing tot teruggave van een roerende zaak ingevolge artikel 1011a, komen ten laste van de staat die de rechtsvordering heeft ingesteld. Indien de vordering is ingesteld door de rechthebbende op het cultuurgoed komen die kosten ten laste van die rechthebbende. Hetzelfde geldt voor de kosten, gemaakt voor het materiële behoud van het cultuurgoed en voor de kosten van eventuele voorlopige maatregelen, als bedoeld in artikel 1010.

Artikel 1012

De eigendom van een cultuurgoed waarvan ingevolge artikel 1008 door een lidstaat of ingevolge artikel 1011a door een verdragsstaat teruggave is gevorderd, wordt na de teruggave bepaald door het nationale recht van de staat die de rechtsvordering tot teruggave heeft ingesteld.

01-05-1995

Titel 14. Van rechtspleging in zaken betreffende de verbindendverklaring van overeenkomsten strekkende tot collectieve schadeafwikkeling

Artikel 1013

1.

Het verzoekschrift waarmee het verzoek, bedoeld in artikel 907, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt ingeleid, vermeldt:

  1. de namen en de woonplaatsen van de verzoekers;

  2. een omschrijving van de gebeurtenis of de gebeurtenissen waarop de overeenkomst betrekking heeft;

  3. een korte omschrijving van de overeenkomst;

  4. een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust.

4.

In afwijking van artikel 282, tweede lid, behoeft geen afschrift van een verweerschrift en de overlegde bescheiden verzonden te worden aan de personen ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten. De rechter kan, in afwijking van artikel 290, eerste en tweede lid, bevelen, dat het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal en zonodig een vertaling hiervan in één of meer andere talen dan de Nederlandse taal op één of meer door hem aan te wijzen internetadressen worden geplaatst, zodanig dat deze door de personen ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten ten behoeve van latere kennisneming kunnen worden opgeslagen. Tevens kan de rechter bevelen dat de verzoekers desverlangd aan een persoon ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten afschriften verstrekken van de in de tweede zin genoemde stukken.

5.

De oproeping van de aan de verzoekers bekende personen ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten geschiedt bij gewone brief, tenzij de rechter anders bepaalt. Bovendien geschiedt de oproeping door aankondiging daarvan in één of meer door de rechter aan te wijzen nieuwsbladen, waarbij tevens rechtspersonen als bedoeld in artikel 1014 worden opgeroepen. Hierbij wordt naast de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting telkens op een door de rechter aan te geven wijze melding gemaakt van een korte omschrijving van de overeenkomst en van de gevolgen van toewijzing van het verzoek. Tevens wordt vermeld op welke wijze inzage en afschrift kan worden verkregen van de in het vierde lid genoemde stukken en wordt gewezen op de bevoegdheid om een verweerschrift in te dienen. Tenzij de rechter anders bepaalt, dragen de verzoekers zorg voor de oproeping ingevolge dit lid. De rechter kan gelasten dat de in dit lid bedoelde informatie ook op andere wijze wordt bekend gemaakt. Indien de curator in faillissement de overeenkomst heeft gesloten, gelast de rechter de verzoekers oproeping op een door hem te bepalen wijze van bekende en onbekende schuldeisers. Indien er personen zijn ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten, die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben en een voor Nederland bindende internationale of Unie-regeling niet een wijze van oproeping voorschrijft, gelast de rechter oproeping op een door hem bepaalde wijze van deze personen, zonodig in één of meer andere talen dan de Nederlandse taal.

7.

De rechter kan, indien hij de dag en het uur van de behandeling bepaalt, tevens bepalen dat verweerschriften in afwijking van artikel 282, eerste lid, uiterlijk voor een door hem vast te stellen tijdstip voor de behandeling moeten worden ingediend. Artikel 282, vierde lid, mist toepassing.

Artikel 1015

2.

Het geschorste geding wordt overeenkomstig artikel 227, eerste lid, hervat:

  1. voor zover in de procedure om een beslissing wordt verzocht ter zake van een geschil in de beëindiging waarvan de overeenkomst niet voorziet;

  2. indien de in artikel 908, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn is verstreken, nadat een gerechtigde onder de overeenkomst binnen die termijn de in dat lid bedoelde mededeling heeft gedaan;

  3. indien onherroepelijk vaststaat dat het verzoek niet tot toewijzing zal leiden;

  4. indien de overeenkomst overeenkomstig artikel 908, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt opgezegd;

  5. indien de behandeling van het verzoek met het oog op de belangen van een gerechtigde onder de overeenkomst en alle omstandigheden in aanmerking genomen, onaanvaardbaar lang duurt en naar verwachting nog onaanvaardbaar lang zal duren;

  6. indien de partijen in de geschorste procedure daarmee instemmen.

3.

Artikel 907, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op hetgeen in een ingevolge het tweede lid hervat geding wordt gevorderd.

Artikel 1017

3.

Aan de bekende gerechtigden onder de overeenkomst en aan de in de procedure verschenen rechtspersonen als bedoeld in artikel 1014, wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan van de beschikking tot verbindendverklaring, tenzij de rechter anders bepaalt. Bovendien wordt van de verbindendverklaring zo spoedig mogelijk aankondiging gedaan in één of meer door de rechter aan te wijzen nieuwsbladen. Hierbij wordt telkens op een door de rechter aan te geven wijze melding gemaakt van een korte omschrijving van de overeenkomst, in het bijzonder de wijze waarop vergoeding kan worden verkregen of anderszins een beroep op de overeenkomst kan worden gedaan en, indien de overeenkomst dat bepaalt, de termijn waarbinnen daarop aanspraak dient te worden gemaakt, alsmede van de gevolgen van de verbindendverklaring, en worden de termijn waarbinnen en de wijze waarop de gerechtigden onder de overeenkomst zich van de gevolgen van de verbindendverklaring kunnen bevrijden, vermeld. Tevens wordt vermeld op welke wijze inzage en afschrift kan worden verkregen van de beschikking en de overeenkomst die daarbij verbindend is verklaard. De rechter kan bevelen dat ook van andere dan de in dit lid genoemde gegevens melding wordt gemaakt. Tenzij de rechter anders bepaalt, dragen de verzoekers zorg voor de in dit lid bedoelde melding en aankondiging. De rechter kan gelasten dat de in dit lid bedoelde gegevens ook op andere wijze bekend worden gemaakt. Indien er gerechtigden onder de overeenkomst zijn die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben en een voor Nederland bindende internationale of Unie-regeling niet een wijze van aankondiging voorschrijft, gelast de rechter aankondiging op een door hem te bepalen wijze ten behoeve van deze gerechtigden, zonodig in één of meer andere talen dan de Nederlandse taal.

Artikel 1018

2.

Herroeping staat uitsluitend open voor de in artikel 907, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde stichtingen of verenigingen gezamenlijk, en voor de overige verzoekers gezamenlijk. Indien de in de eerste zin bedoelde stichtingen of verenigingen zijn ontbonden, staat herroeping open voor een stichting of vereniging, bedoeld in artikel 1014. Herroeping van de beschikking op verzoek van stichtingen en verenigingen als bedoeld in de eerste of tweede zin, heeft geen gevolgen voor een gerechtigde onder de overeenkomst die zich tegen die gevolgen verzet.

Artikel 1018a

1.

Indien een veelheid aan personen door een gebeurtenis of gelijksoortige gebeurtenissen is benadeeld, kan, voordat een zaak aanhangig is, de rechtbank, teneinde een overeenkomst, bedoeld in artikel 907, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, te beproeven, op verzoek van een stichting of vereniging, bedoeld in artikel 907, derde lid, onderdeel f, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en van de persoon of personen die voor deze gebeurtenis of gebeurtenissen verantwoordelijk worden gehouden, dan wel op verzoek van een van hen, een verschijning ter zitting van deze partijen bevelen.

Artikel 1018c

1.

Onverminderd artikel 111, tweede lid, vermeldt de dagvaarding waarmee de collectieve vordering bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt ingesteld:

  1. een omschrijving van de gebeurtenis of de gebeurtenissen waarop de collectieve vordering betrekking heeft;

  2. een omschrijving van de personen tot bescherming van wier belangen de collectieve vordering strekt;

  3. een omschrijving van de mate waarin de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen gemeenschappelijk zijn;

  4. een omschrijving van de wijze waarop voldaan is aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 305a, eerste tot en met derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of van de gronden waarop het zesde lid van dat artikel van toepassing is;

  5. de gegevens die de rechter in staat stellen om voor deze collectieve vordering een Exclusieve Belangenbehartiger aan te wijzen, voor het geval andere collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis overeenkomstig artikel 1018d worden ingesteld;

  6. de verplichting van de eiser om van de zaak aantekening te maken in het register, bedoeld in het tweede lid, en om te vermelden wat ingevolge dit artikel de gevolgen zijn van die aantekening.

2.

Op straffe van niet ontvankelijkheid wordt in afwijking van artikel 125, tweede lid, het exploot van dagvaarding ter griffie ingediend binnen twee dagen na de dag van dagvaarding, onder gelijktijdige aantekening van de dagvaarding in het centraal register voor collectieve acties als bedoeld in artikel 305a, zevende lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. De aantekening gaat vergezeld van een uittreksel van de dagvaarding.

3.

Tenzij de rechter eiser aanstonds niet ontvankelijk verklaart overeenkomstig het tweede lid, houdt hij de zaak aan totdat een termijn van drie maanden na aantekening in het register, bedoeld in het tweede lid, is verstreken. Tenzij ingevolge artikel 1018d, tweede lid, deze termijn is verlengd of een andere collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen is ingesteld, wordt na het verstrijken van de termijn de behandeling van de zaak voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.

4.

De in artikel 128, tweede lid, bedoelde roldatum voor het nemen van de conclusie van antwoord wordt bepaald op een termijn van zes weken nadat de in het derde lid bedoelde termijn is verstreken.

5.

Inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering vindt slechts plaats indien en nadat de rechter heeft beslist:

  1. dat eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 305a, eerste tot en met derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of aan de ontvankelijkheidseisen waaraan op grond van het zesde lid van dat artikel moet zijn voldaan;

  2. dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben;

  3. dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.

In afwijking van artikel 128, derde lid, mag de verweerder volstaan met de verweren die betrekking hebben op het onder a tot en met c genoemde, totdat hierover is beslist.

6.

Indien een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen wordt ingesteld na het aanhangig worden van de collectieve vordering bedoeld in het eerste lid maar voordat de termijn bedoeld in artikel 1018d is aangevangen, wordt de zaak, zo nodig na verwijzing, gevoegd met de reeds aanhangige collectieve vordering als bedoeld in het tweede lid, onder a.

36034
samen met
36212

Artikel 1018d

1.

Binnen drie maanden na de aantekening in het register als bedoeld in artikel 1018c, tweede lid, kan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een collectieve vordering instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering bedoeld in artikel 1018c, eerste lid, betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen, onder vermelding van de aantekening. De collectieve vordering wordt ingesteld bij dezelfde rechtbank als waar de eerder in het register aangetekende collectieve vordering is ingesteld. Artikel 1018c, eerste lid, is van toepassing.

2.

De rechter kan de in het vorige lid bedoelde termijn met maximaal drie maanden verlengen indien binnen een maand na de aantekening een rechtspersoon als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek ter griffie heeft laten aantekenen dat hij een collectieve vordering wil instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering bedoeld in artikel 1018c, eerste lid, betrekking heeft, onder vermelding van de aantekening in het register, maar dat de termijn van drie maanden niet volstaat.

3.

Voor de toepassing van het eerste Boek worden de overeenkomstig dit artikel ingestelde collectieve vorderingen na inschrijving op de rol gezamenlijk behandeld als een zaak. De in de dagvaarding vermelde roldatum ligt vier weken na het verstrijken van de termijn op grond van het eerste en tweede lid.

Artikel 1018e

1.

De rechter wijst uit de eisers die overeenkomstig artikel 1018c of 1018d een collectieve vordering hebben ingesteld en voldoen aan de eisen voor ontvankelijkheid van artikel 305a, eerste tot en met derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, de meest geschikte eiser aan als exclusieve belangenbehartiger, waarbij hij de volgende omstandigheden in aanmerking neemt:

  1. de omvang van de groep personen voor wie de eiser opkomt;

  2. de grootte van het door deze groep vertegenwoordigde financiële belang;

  3. andere werkzaamheden die de eiser verricht voor de personen voor wie hij opkomt in of buiten rechte;

  4. eerdere door de eiser verrichte werkzaamheden of ingestelde collectieve vorderingen.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Artikel 1018f

1.

De procedure over een collectieve vordering heeft geen gevolg voor en leidt niet tot gebondenheid van personen behorend tot de nauw omschreven groep personen wier belangen in deze collectieve vordering worden behartigd indien zij binnen een door de rechter te bepalen termijn van ten minste een maand na de in het derde lid bedoelde aankondiging van de uitspraak, bedoeld in artikel 1018e, eerste en tweede lid, door een schriftelijke mededeling aan de griffie hebben laten weten zich van de behartiging van hun belangen in deze collectieve vordering te willen bevrijden. Een eerdere collectieve stuiting van de verjaring van de vordering stuit de verjaring slechts ten aanzien van deze personen indien zij binnen zes maanden, nadat zij zich ingevolge dit artikel van de behartiging van hun belangen in de collectieve vordering hebben bevrijd, een individuele stuitingshandeling voor deze vordering verrichten. Is het aantal personen, dat zich ingevolge dit artikel van de behartiging van hun belangen in de collectieve vordering heeft bevrijd, te groot om de voortzetting van de procedure te rechtvaardigen, dan kan de rechter beslissen dat deze niet wordt voortgezet.

2.

De uitspraak waarbij de exclusieve belangenbehartiger is aangewezen en waarbij de collectieve vordering en de nauw omschreven groep personen wier belangen de exclusieve belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt, staan omschreven, ligt ter griffie ter inzage van deze personen. Tevens wordt hiervan aantekening gemaakt in het in artikel 1018c, tweede lid, bedoelde register. De rechter kan bevelen dat de uitspraak en zo nodig een vertaling hiervan in één of meer andere talen dan de Nederlandse taal op één of meer door hem aan te wijzen internetadressen worden geplaatst, waaronder de internetpagina van de exclusieve belangenbehartiger als bedoeld in het tweede lid, onder d, van artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, zodanig dat deze door de genoemde personen ten behoeve van latere kennisneming kunnen worden opgeslagen.

3.

Bij gewone brief wordt aan de bekende personen wier belangen de exclusieve belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt, zo spoedig mogelijk mededeling gedaan van de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger en de collectieve vordering en de nauw omschreven groep personen wier belangen de exclusieve belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt, tenzij de rechter anders bepaalt. Bovendien wordt hiervan zo spoedig mogelijk aankondiging gedaan in één of meer door de rechter aan te wijzen nieuwsbladen. Hierbij wordt telkens op een door de rechter aan te geven wijze melding gemaakt van de wijze waarop deze personen zich overeenkomstig het eerste lid van de behartiging van hun belangen in deze collectieve vordering kunnen bevrijden, of overeenkomstig het vijfde lid met de behartiging van hun belangen in deze collectieve vordering instemmen. Tevens wordt vermeld op welke wijze inzage of afschrift kan worden verkregen van de uitspraak. De rechter kan bevelen dat ook van andere dan de in dit lid genoemde gegevens melding wordt gemaakt. Tenzij de rechter anders bepaalt, draagt de exclusieve belangenbehartiger zorg voor de in dit lid bedoelde melding en aankondiging. De rechter kan gelasten dat de in dit lid bedoelde gegevens ook op andere wijze bekend worden gemaakt. Indien er personen tot de nauw omschreven groep personen behoren wier belangen de exclusieve belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt, die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben en een voor Nederland bindende internationale of Unie-regeling niet een wijze van aankondiging voorschrijft, gelast de rechter aankondiging op een door hem te bepalen wijze ten behoeve van deze personen, zo nodig in één of meer andere talen dan de Nederlandse taal.

5.

Voor personen behorend tot de nauw omschreven groep personen wier belangen in deze collectieve vordering worden behartigd en die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben, heeft de procedure over de collectieve vordering gevolg en leidt deze tot gebondenheid, indien zij binnen een door de rechter te bepalen termijn van ten minste een maand na de in het derde lid bedoelde aankondiging van de uitspraak, bedoeld in artikel 1018e, eerste en tweede lid, door een schriftelijke mededeling aan de griffie hebben laten weten in te stemmen met de behartiging van hun belangen in deze collectieve vordering. Op verzoek van een partij kan de rechter bepalen dat, in afwijking van dit lid, het eerste lid van toepassing is op personen behorend tot de nauw omschreven groep personen wier belangen in deze collectieve vordering worden behartigd en die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben.

36034
samen met
36212

Artikel 1018g

Na aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger als bedoeld in artikel 1018e stelt de rechter een termijn voor het beproeven van een overeenkomst die in elk geval het in artikel 907, tweede lid, onderdelen a tot en met f, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde bevat en, indien geen overeenkomst als in deze bepaling bedoeld wordt bereikt, voor het aanvullen van de gronden van de vordering en het verweer voor zover de gedaagde gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid bedoeld in artikel 1018c, vijfde lid, laatste zin.

Artikel 1018h

3.

Op een goedgekeurde overeenkomst zijn de artikelen 1017, tweede tot en met vierde lid, en de artikelen 908, eerste, derde en vijfde lid, 909 en 910 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. De rechter kan nadere aanwijzingen geven voor de in artikel 1017 bedoelde meldingen en aankondigingen.

36034
samen met
36212

Artikel 1018i

1.

Betreft de collectieve vordering een vordering tot schadevergoeding in geld, dan kan de rechter alvorens een collectieve schadeafwikkeling vast te stellen, de overlegging door de exclusieve belangenbehartiger en de gedaagde bevelen van een voorstel voor een collectieve schadeafwikkeling. Dit voorstel bevat in ieder geval het in artikel 907, tweede lid, onderdelen a tot en met f, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde voor:

  1. de personen behorend tot de nauw omschreven groep personen wier belangen in deze collectieve vordering worden behartigd die zich niet overeenkomstig artikel 1018f van de behartiging van hun belangen in de procedure en de uitspraak hebben bevrijd, en

  2. de personen behorend tot de nauw omschreven groep personen wier belangen in deze collectieve vordering worden behartigd en die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben en die overeenkomstig artikel 1018f met de behartiging van hun belangen in deze collectieve vordering hebben ingestemd.

De rechter bepaalt de termijn waarbinnen partijen een voorstel dienen over te leggen. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

2.

De rechter stelt, mede aan de hand van de in het eerste lid bedoelde voorstellen, een collectieve schadeafwikkeling vast die strekt tot vergoeding door gedaagde van de schade van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde personen. De rechter draagt er zorg voor dat hij voor de toepassing van de tiende afdeling van de eerste titel van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek de schadevergoeding voor deze personen waar mogelijk in categorieën vaststelt, dat de collectieve schadeafwikkeling in ieder geval het in artikel 907, tweede lid, onderdelen a tot en met f, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde, bevat, dat de hoogte van de daarbij toegekende vergoedingen redelijk is en dat de belangen van de personen voor wie de collectieve schadeafwikkeling wordt vastgesteld ook anderszins voldoende gewaarborgd zijn. Artikel 907, eerste lid, laatste zin, en zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1018j

1.

Bij gewone brief wordt aan de bekende personen ten behoeve van wie de collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld of is geweigerd, zo spoedig mogelijk mededeling gedaan van de uitspraak waarbij deze is vastgesteld of is geweigerd, tenzij de rechter anders bepaalt. Bovendien wordt van de uitspraak zo spoedig mogelijk aankondiging gedaan in één of meer door de rechter aan te wijzen nieuwsbladen. Als de rechter een collectieve schadeafwikkeling heeft vastgesteld, wordt telkens op een door de rechter aan te geven wijze melding gemaakt van een korte omschrijving van de collectieve schadeafwikkeling, in het bijzonder de wijze waarop vergoeding van de gedaagde kan worden verkregen of anderszins een beroep op de collectieve schadeafwikkeling kan worden gedaan en, indien de collectieve schadeafwikkeling dat bepaalt, de termijn waarbinnen daarop aanspraak dient te worden gemaakt. Tevens wordt vermeld op welke wijze inzage en afschrift kan worden verkregen van de uitspraak waarbij de collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld. De rechter kan bevelen dat ook van andere dan de in dit lid genoemde gegevens melding wordt gemaakt. Tenzij de rechter anders bepaalt, draagt de gedaagde zorg voor de in dit lid bedoelde melding en aankondiging. De rechter kan gelasten dat de in dit lid bedoelde gegevens ook op andere wijze bekend worden gemaakt. Voor personen die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben en voor wie een voor Nederland bindende internationale of Unie-regeling niet een wijze van aankondiging voorschrijft, gelast de rechter aankondiging op een door hem te bepalen wijze ten behoeve van deze personen, zo nodig in één of meer andere talen dan de Nederlandse taal.

36034
samen met
36212

Artikel 1018k

1.

Zodra een uitspraak ingevolge deze titel onherroepelijk is geworden, is deze voor ieder der partijen en voor de in artikel 1018i, eerste lid, onder a en b, bedoelde personen, verbindend. Tenzij de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kunnen deze personen vanaf het tijdstip waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden aanspraak maken op een vergoeding op de wijze en onder de voorwaarden vermeld in de uitspraak waarbij een collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld.

2.

Voor een persoon als bedoeld in artikel 1018i, eerste lid, onder a, die bij de in artikel 1018f, derde lid, bedoelde aankondiging niet met zijn schade bekend kon zijn, heeft een uitspraak ingevolge deze titel geen gevolg indien hij na het bekend worden van zijn schade door een schriftelijke mededeling aan de gedaagde of, indien een collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld, aan de in artikel 907, tweede lid, onder g, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, bedoelde persoon, heeft laten weten niet gebonden te willen zijn. De gedaagde kan een persoon als bedoeld in het eerste lid schriftelijk een termijn van ten minste zes maanden stellen waarbinnen deze kan laten weten niet gebonden te willen zijn. Bij een uitspraak ingevolge deze titel waarbij een collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld overeenkomstig artikel 1018i moet de gedaagde daarbij ook mededeling doen van de persoon bedoeld in artikel 907, tweede lid, onder g.

Artikel 1018l

1.

Indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering is gebleken, kan de rechter in zijn uitspraak voor de toepassing van de tweede paragraaf van de twaalfde afdeling van de tweede titel van het eerste Boek de salarissen van de advocaat van de wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij maximaal vervijfvoudigen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

2.

Een uitspraak ingevolge artikel 1018i houdt tevens een veroordeling in de kosten in waarbij de rechter voor zover nodig in afwijking van de tweede paragraaf van de twaalfde afdeling van de tweede titel van het eerste Boek de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd kan veroordelen in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

Artikel 1018m

1.

Procedures tussen degene of degenen tegen wie de collectieve vordering ingevolge deze titel zich richt, en een persoon tot bescherming van wier belangen de procedure over de collectieve vordering wordt gevoerd en die zich overeenkomstig artikel 1018f aan de behartiging van hun belangen in de procedure en de uitspraak heeft bevrijd, kunnen op verzoek van de meest gerede partij worden geschorst indien de procedure betrekking heeft op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen, ook indien reeds de dag is bepaald waarop het vonnis, het arrest of de beschikking zal worden uitgesproken.

2.

Het geschorste geding wordt overeenkomstig artikel 227, eerste lid, hervat:

  1. indien de schorsing langer dan een jaar heeft geduurd en de meest gerede partij om opheffing van de schorsing heeft verzocht;

  2. indien in de procedure over de collectieve vordering een uitspraak is gedaan en deze onherroepelijk is geworden.

Artikel 1018n

2.

Onverminderd artikel 111, tweede lid, en artikel 1018c, eerste lid, vermeldt de dagvaarding waarmee de collectieve vordering, bedoeld in artikel 305c, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt ingesteld, dat de eiser geplaatst is op de lijst, bedoeld in artikel 305c, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

36034
samen met
36212

Titel 15. Van rechtspleging in zaken betreffende rechten van intellectuele eigendom

Artikel 1019

Deze titel is van toepassing op de handhaving van rechten van intellectuele eigendom ingevolge de Auteurswet, de Wet op de naburige rechten, de Databankenwet, de Rijksoctrooiwet 1995, het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), de Wet houdende regelen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten, de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005, op procedures krachtens de artikelen 5 en 5a Handelsnaamwet, op procedures inzake geografische benamingen krachtens artikel 14 Landbouwkwaliteitswet en op handhaving van rechten van intellectuele eigendom ingevolge verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PbEG 1994, L11), verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227) en verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PbEG 2002, L3).

Artikel 1019d

1.

Beschrijving geschiedt door een deurwaarder ter plaatse waar de zaken, bedoeld in artikel 1019b, eerste lid, zich bevinden. De deurwaarder zal de zaken op het door hem daarvan onverwijld op te maken proces-verbaal nauwkeurig beschrijven met opgave van hun beweerdelijk inbreukmakende kenmerken, getal, gewicht en maat overeenkomstig hun aard. Tot deze beschrijving kan ook behoren het op enigerlei wijze vastleggen van de zaken op beeld- of geluidsmateriaal dat wordt gevoegd bij het proces-verbaal en daarvan deel uitmaakt. Het proces-verbaal vermeldt het rechterlijk verlof. De artikelen 440, tweede lid, 443, 444, 444a en 444b zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Monsterneming geschiedt door een deurwaarder ter plaatse waar de zaken, bedoeld in artikel 1019b, eerste lid, zich bevinden. De voorschriften betreffende middelen tot bewaring van zijn recht zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 709, derde lid. Hij zal van elk soort der zaken ten hoogste drie exemplaren aan een door de voorzieningenrechter aan te wijzen bewaarder in gerechtelijke bewaring geven, tenzij de rechter anders bepaalt.

Artikel 1019g

De rechter kan op vordering van degene die is getroffen door

  1. een beslag dat is gelegd ingevolge artikel 28, derde lid, Auteurswet 1912, artikel 17, tweede lid, Wet op de naburige rechten, de artikelen 2.22, tweede lid, en 3.18, tweede lid, Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), artikel 70, negende lid, Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 en artikel 14, negende lid, Landbouwkwaliteitswet,

  2. een maatregel als bedoeld in artikel 1019b, eerste lid,

  3. een bevel als bedoeld in artikel 1019e, eerste lid, of

  4. enige andere voorlopige maatregel die is opgelegd krachtens een in artikel 1019 bedoeld recht van intellectuele eigendom, tot voorkoming van een dreigende inbreuk of houdende een verbod op inbreukmakende handelingen of een verbod jegens een tussenpersoon,

gelasten dat degene die om deze maatregel heeft gevraagd de door deze maatregel toegebrachte schade op passende wijze vergoedt, indien het beslag ten onrechte is gelegd of het beslag is opgeheven dan wel voor zover de maatregel niet had behoren te worden getroffen of het bevel niet had behoren te worden gegeven of indien wordt vastgesteld dat er geen inbreuk was gemaakt of dreigde.

Artikel 1019h

Voor zover nodig in afwijking van de tweede paragraaf van de twaalfde afdeling van de tweede titel van het eerste Boek en in afwijking van artikel 194, eerste lid wordt de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

Artikel 1019ib

2.

Het in het eerste lid bedoelde verbod blijft van kracht na beëindiging van de gerechtelijke procedures. De verplichting houdt op te bestaan indien:

  1. bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis tussen partijen is vastgesteld dat het vermeende bedrijfsgeheim niet voldoet aan de in artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen bepaalde voorwaarden, of

  2. na verloop van tijd de desbetreffende informatie algemeen bekend wordt bij of gemakkelijk toegankelijk wordt voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende informatie.

De rechter kan het verbod op verzoek van een der partijen geheel of gedeeltelijk opheffen.

Artikel 1019id

De rechter kan op vordering van degene die is getroffen door een voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen gelasten dat degene die om deze maatregel heeft gevraagd de door deze maatregel toegebrachte schade op passende wijze vergoedt:

  1. wanneer de maatregel zijn kracht verliest krachtens artikel 1019ic, derde lid;

  2. wanneer de maatregel vervalt als gevolg van enig handelen of nalaten van eiser; of

  3. indien wordt vastgesteld dat er geen sprake was van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim of dreiging daarvan.

Titel 16. Van rechtspleging in pachtzaken

Artikel 1019j

Door de pachtkamer van de rechtbank bedoeld in artikel 48 van de Wet op de rechterlijke organisatie, worden behandeld en beslist alle zaken betreffende

  1. een pachtovereenkomst als bedoeld in de vijfde titel van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

  2. een overeenkomst tot wijziging of beëindiging van een pachtovereenkomst;

  3. een overeenkomst tot het aangaan van een pachtovereenkomst;

  4. een overeenkomst waarbij persoonlijke zekerheid wordt gesteld voor de nakoming van een pachtovereenkomst;

  5. een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 399c of 399e van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

  6. een overeenkomst tussen de afgaande en opkomende pachter, verband houdende met de overgang van het bedrijf;

  7. vorderingen tot ontruiming van het gepachte door de pachter of de gewezen pachter en tot opeising van het verpachte van de pachter of gewezen pachter;

  8. vorderingen tot schadevergoeding of betaling van het bedrag, bedoeld in de artikelen 373, eerste en derde lid, en 377, derde en vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

  9. vorderingen tot terugbetaling van te veel betaalde pacht;

  10. vorderingen tot vergoeding van schade wegens onrechtmatig gebruik van het gepachte, nadat de pachtovereenkomst is geëindigd.

32021
samen met
32891
t/m 01-09-2007
31107

Artikel 1019r

1.

Onverminderd het in artikel 193 bepaalde is de pachtkamer bevoegd, zo vaak zulks haar nodig voorkomt, in elke stand van de procedure, de staat van de onroerende zaak door een of meer van haar leden te doen opnemen, mits de griffier hiervan ten minste twee dagen voor de opneming aan partijen heeft kennis gegeven. Van de opneming wordt proces-verbaal opgemaakt.

t/m 01-09-2007
31107

Artikel 1019t

Artikel 1019u

In zaken als bedoeld in artikel 1019j die met een verzoek moeten worden ingeleid, is de pachtkamer bevoegd van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het gepachte of het grootste deel daarvan is gelegen. Indien het een hoeve betreft, is de pachtkamer bevoegd van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het hoofdgebouw, tot de hoeve behorend, gelegen is.

t/m 01-09-2007
31107

Artikel 1019x

2.

Indien een der partijen reeds eerder een verzoek als bedoeld in artikel 1019w, eerste lid, heeft gedaan, wordt het verzoek gedaan aan de rechter die het eerdere verzoek behandelt of laatstelijk behandeld heeft. Onverminderd artikel 71 is deze rechter tevens bevoegd kennis te nemen van de zaak ten principale indien deze wordt aangebracht. Indien de zaak ten principale reeds aanhangig is, wordt het verzoek gedaan aan de rechter voor wie de zaak ten principale aanhangig is.

3.

Het verzoekschrift vermeldt naast de in artikel 278, eerste lid, bedoelde gegevens:

  1. de aard en het vermoedelijke beloop van de vordering;

  2. een omschrijving van het deelgeschil;

  3. een zakelijk overzicht van de inhoud en het verloop van de onderhandelingen over de vordering;

  4. de naam en de woonplaats van de wederpartij.

4.

Indien over de vordering reeds eerder een verzoek als bedoeld in artikel 1019w, eerste lid, is gedaan, wordt daarvan melding gemaakt en worden de processtukken en, indien gegeven, de beschikking bij het verzoekschrift gevoegd.

Vierde Boek. Arbitrage

Eerste titel. Arbitrage in Nederland

Eerste afdeling. De overeenkomst tot arbitrage

Artikel 1022c

Indien in de gevallen, genoemd in de artikelen 1022a en 1022b, een partij zich voor alle weren beroept op het bestaan van een overeenkomst tot arbitrage, verklaart de rechter zich uitsluitend bevoegd, indien de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden gekregen.

Artikel 1027

2.

De benoeming dient te geschieden binnen drie maanden nadat de zaak aanhangig is, tenzij de arbiter of arbiters reeds voordien zijn benoemd. Indien evenwel een der gevallen bedoeld in artikel 1026, tweede lid, zich voordoet, vangt de termijn van drie maanden aan op de dag dat het aantal der arbiters is bepaald. De termijnen kunnen door de partijen bij overeenkomst worden bekort of verlengd.

01-12-1986

Artikel 1035

01-12-1986

Artikel 1043b

2.

Bij overeenkomst kunnen de partijen een afzonderlijk daartoe te benoemen scheidsgerecht, binnen de grenzen gesteld bij artikel 254, eerste lid, de bevoegdheid verlenen, ongeacht of het arbitraal geding ten gronde aanhangig is, op verzoek van een der partijen, een voorlopige voorziening te treffen, met uitzondering van bewarende maatregelen als bedoeld in de vierde titel van het Derde Boek.

Artikel 1046

01-12-1986

Artikel 1047

Ingeval van arbitrage omtrent zaken als bedoeld in artikel 1020, vierde lid, onder a, blijft, behoudens de artikelen 1037 en 1048, het in deze afdeling bepaalde buiten toepassing. Het geding wordt alsdan gevoerd op de wijze als door de partijen is overeengekomen of, voor zover de partijen daarin niet hebben voorzien, als door het scheidsgerecht bepaald.

01-12-1986

Artikel 1052

01-12-1986

Artikel 1056

In de gevallen waarin de gewone rechter een dwangsom kan opleggen, is een scheidsgerecht daartoe eveneens bevoegd. Onverminderd de toepasselijkheid van de artikelen 611a tot en met 611h dient in de gevallen, bedoeld in artikel 611d, om de opheffing, de opschorting of de vermindering van de dwangsom bij het scheidsgerecht te worden verzocht, en indien de opdracht van het scheidsgerecht niet voortduurt, te worden verzocht aan de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de plaats van de arbitrage is gelegen.

01-12-1986

Artikel 1057

5.

In afwijking van het vierde lid, onder e, bevat het vonnis geen gronden voor de gegeven beslissing indien:

  1. het vonnis uitsluitend betreft de enkele vaststelling van de hoedanigheid of van de toestand van zaken als bedoeld in artikel 1020, vierde lid, onder a;

  2. de vastlegging van een vergelijk als bedoeld in artikel 1069; of

  3. in alle andere gevallen, nadat de arbitrage aanhangig is gemaakt, de partijen schriftelijk overeenkomen dat geen gronden voor de beslissing worden gegeven.

01-12-1986

Artikel 1060

2.

Indien de gegevens, genoemd in artikel 1057, vierde lid, onder a tot en met d, onjuist zijn vermeld of geheel of gedeeltelijk in het vonnis ontbreken, kan een partij binnen een termijn als overeengekomen tussen de partijen of tot drie maanden na de dag van verzending van het vonnis, het scheidsgerecht schriftelijk de verbetering van die gegevens verzoeken.

01-12-1986

Artikel 1061e

Tegen een op de voet van artikel 1046, vierde lid, gewezen arbitraal vonnis staat arbitraal hoger beroep open, indien en voorzover alle bij het samengevoegde geding betrokken partijen bij overeenkomst in zodanig hoger beroep hebben voorzien. Deze overeenkomst dient te voldoen aan de vereisten van de artikelen 1020 en 1021 alsmede aan de vereisten van de artikelen 166 en 167 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1061f

2.

Ingeval van bevoegdverklaring en onbevoegdverklaring door het scheidsgerecht zijn de bepalingen van artikel 1052, vierde en vijfde lid, van toepassing nadat in hoger beroep uitspraak is gedaan, of de voor dit beroep geldende termijn ongebruikt is verstreken dan wel eerder, indien door ieder der partijen schriftelijk van hoger beroep afstand is gedaan, of later, op het moment van voortijdige beëindiging van het hoger beroep.

Artikel 1061g

1.

De dwangsom als bedoeld in artikel 1056 kan ook voor het eerst in arbitraal hoger beroep worden gevorderd.

2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1056, dient in de gevallen bedoeld in artikel 611d de opheffing, de opschorting of de vermindering van de dwangsom te worden verzocht aan het scheidsgerecht in hoger beroep, indien en voor zolang de opdracht van dat scheidsgerecht voortduurt.

Artikel 1061h

Het in eerste aanleg gewezen arbitraal vonnis kan slechts in arbitraal hoger beroep worden aangevuld overeenkomstig artikel 1061. Het verzoek daartoe moet binnen de voor het hoger beroep geldende termijn worden gedaan. De partijen kunnen bij overeenkomst van het in dit artikel bepaalde afwijken.

Artikel 1061j

In afwijking van het bepaalde in artikel 1059, derde lid, heeft een in eerste aanleg gewezen arbitraal vonnis bindende kracht tussen dezelfde partijen in een ander geding met ingang van de dag waarop de voor het arbitraal hoger beroep geldende termijn ongebruikt is verstreken, of eerder, met ingang van de dag waarop schriftelijk van hoger beroep afstand is gedaan, of later, op het moment van voortijdige beëindiging van het hoger beroep, dan wel met ingang van de dag waarop in hoger beroep uitspraak is gedaan, indien en voorzover het vonnis in eerste aanleg in dat hoger beroep is bevestigd.

Artikel 1063

2.

Als de termijn voor het instellen van een vordering tot vernietiging als bedoeld in artikel 1064a ongebruikt is verstreken, dan kan de voorzieningenrechter van de rechtbank het verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis slechts weigeren, indien hem na een summierlijk onderzoek is gebleken dat het aannemelijk is dat het vonnis in strijd is met artikel 1065, eerste lid, onder e.

01-12-1986

Artikel 1064a

2.

De bevoegdheid tot het instellen van de vordering tot vernietiging vervalt drie maanden na de dag van verzending van het vonnis. Indien de partijen zijn overeengekomen gebruik te maken van het in artikel 1058, eerste lid, onderdeel b, bepaalde, vervalt deze bevoegdheid drie maanden na de dag van nederlegging van het vonnis. Wordt echter het vonnis, voorzien van een verlof tot tenuitvoerlegging, aan de wederpartij betekend, dan kan die partij, ongeacht het verstreken zijn van de termijn van drie maanden genoemd in de vorige zin, alsnog binnen drie maanden na deze betekening de vordering tot vernietiging instellen.

Artikel 1065

7.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1064a, tweede lid, vervalt de termijn voor het instellen van de in het vorige lid bedoelde vordering tot vernietiging drie maanden na de dag van verzending van het aanvullend vonnis dan wel van de mededeling der afwijzing, bedoeld in artikel 1061, vijfde lid. Indien de partijen zijn overeengekomen gebruik te maken van het in artikel 1058, eerste lid, onderdeel b, bepaalde, vervalt de termijn voor het instellen van de in het vorige lid bedoelde vordering tot vernietiging drie maanden na de dag van nederlegging van het aanvullend vonnis dan wel van de mededeling der afwijzing, bedoeld in artikel 1061, vijfde lid. Het in de eerste en tweede zin bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de verbetering van het vonnis, bedoeld in artikel 1060.

01-12-1986

Artikel 1072a

Voorzover in deze titel niet anders is bepaald, zijn de artikelen 261 tot en met 291 van toepassing op zaken welke ingevolge het bij deze titel bepaalde met een verzoek worden ingediend.

Artikel 1072b

3.

Het vonnis als bedoeld in artikel 1057, tweede lid, kan ook in elektronische vorm worden opgemaakt door het te voorzien van een gekwalificeerde handtekening als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG (PbEU 2014, L 257).

Artikel 1074d

Indien in de gevallen, genoemd in de artikelen 1074a tot en met 1074c, een partij zich voor alle weren beroept op het bestaan van een overeenkomst tot arbitrage, verklaart de rechter zich uitsluitend bevoegd, indien de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden gekregen.

Artikel 1075

2.

De artikelen 985 tot en met 990 zijn van overeenkomstige toepassing voor zover het verdrag geen afwijkende voorzieningen inhoudt en met dien verstande dat het gerechtshof in de plaats treedt van de rechtbank en de termijn voor beroep in cassatie drie maanden bedraagt.

3.

De artikelen 261 tot en met 291 zijn van toepassing op het verzoek voorzover niet anders is bepaald in het tweede lid van dit artikel.

01-12-1986

Artikel 1076

6.

De artikelen 985 tot en met 991 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het gerechtshof in de plaats treedt van de rechtbank, de termijn voor beroep in cassatie drie maanden bedraagt en geen bescheiden behoeven te worden overgelegd waaruit blijkt dat het arbitraal vonnis uitvoerbaar is in het land waar het is gewezen.

7.

De artikelen 261 tot en met 291 zijn van toepassing op het verzoek voorzover niet anders is bepaald in het zesde lid van dit artikel.

01-12-1986